Naar inhoud springen

Creatieve destructie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Het GE Building in het Rockefeller Center. Richard N. Foster en Sarah Kaplan betrokken creatieve vernietiging op de S&P 500. Van de 500 bedrijven die er vanaf 1957 op stonden, waren er in 1997 nog maar 74 over. Een van de meest succesvolle daarvan was General Electric dat het principe van creatieve vernietiging intern toepaste.

Creatieve destructie of creatieve vernietiging is een proces van voortdurende innovatie, waarbij succesvolle toepassingen van nieuwe technieken de oude methodes overbodig maken. De term is afkomstig van de socioloog en econoom Werner Sombart, maar vooral bekend in de betekenis die Joseph Schumpeter eraan heeft gegeven. Dit concept staat opnieuw in de belangstelling, omdat een drietal wetenschappers, Joel Mokyr, Philippe Aghion en Peter Howitt, de Nobelprijs voor de Economie van 2025 hebben gewonnen. De jury roemt hun baanbrekende inzichten over het belang van creatieve destructie, als basisvoorwaarde voor langdurige economische groei.[1]

Bij Schumpeter

[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens Schumpeter verschaft innovatie bedrijven tijdelijk een dominante positie in een bepaalde sector. Deze tast de winsten en het marktaandeel van op oude technieken gebaseerde bedrijven aan. Maar ook succesvolle nieuwe vindingen kennen een beperkte cyclus. Zodra de innovatie gemeengoed wordt, rest nog slechts een normale winst en een redelijke vergoeding voor het aangewende kapitaal.

In een nooit eindigend proces van opkomst en ondergang worden oude bedrijven vernietigd door nieuwe. Daar technische innovatie volgens Schumpeter de enige manier is waardoor de welvaart kan toenemen, ziet hij niets in maatregelen waarbij ongericht geld in de economie wordt gepompt om groei te bevorderen. Ondanks de groei dacht Schumpeter dat deze financiële steun uiteindelijk niet vol te houden was. Het kapitalisme zou de overbodige instituties vernietigen.[2]

Richard N. Foster en Sarah Kaplan betrokken creatieve vernietiging op de S&P 500. De eerste S&P index begon in 1923 en betrof 90 grote Amerikaanse bedrijven. De bedrijven op deze oorspronkelijke lijst bleven daar gemiddeld 65 jaar op staan. In 1998 was dit bij de uitgebreide S&P 500 nog maar 10 jaar. Van de 500 bedrijven die er bij het begin van de S&P 500 in 1957 op stonden, waren er in 1997 nog maar 74 over. Van die 74 presteerden er over die periode slechts 12 beter dan de index zelf. Slechts 2 bedrijven maakten geen deel uit van een industrietak die zelf beter presteerde dan de index. Dit waren General Electric en Johnson & Johnson.[3]

De Canadese econoom Peter Howitt is bekend is door zijn theoretische werk op het gebied van innovatie, technologische veranderingen en economische groei op de lange termijn. Hij moest zijn aandeel in het geldbedrag, verbonden aan de Nobelprijs, delen met de Fransman Philippe Aghion. In een lezing voor The Center on Capitalism and Society wijst hij op de belangrijke rol die zogeheten Superstar bedrijven spelen met betrekking tot innovatie en tegelijkertijd creatieve destructie.[4] Deze supersterren zijn gigantische, wereldwijd dominante bedrijven, zoals Google, Amazon, en Apple die bijna alle inkomsten in een sector naar zich toe trekken. Zij profiteren van schaalvoordelen, digitale platforms en netwerkeffecten, waardoor ze de markt overvleugelen en kleinere concurrenten weinig kans geven. Het is een fenomeen waarbij de winner takes it all-dynamiek wordt versterkt door digitalisering en liberalisering van markten.

Deze bedrijven zijn zeer productief en winstgevend. Over het algemeen hebben ze weinig personeel en vertragen het proces van creatieve destructie, dat een spel is met winnaars en verliezers. De laatste categorie betreft bedrijven en werknemers die overbodig zijn geworden. De superstars zweren bij technologische voortuitgang ; anderen willen deze liever blokkeren. Een competitieve markt moedigt nieuwe innovaties aan. Bij weinig concurrentie zakt de markt in. De achterblijvers vormen geen gevaar meer voor de top. Economische stagnatie ligt op de loer. De markup stijgt aanzienlijk. Dit is een prijsstrategie, waarbij bedrijven een vast percentage aan productiekosten boven op de prijs hanteren. De superstars maken hiermee de afstand tot de volgers steeds groter. Net zozeer als het verschil in inkomens- en welvaartsverdeling, betoogt Howitt.

Nederland loopt achter bij het opstarten van nieuwe innovatieve bedrijven. Zij zouden een aanvulling moeten vormen van al bestaande en soms verouderde bedrijven. Hierdoor daalt de groei de productiviteit. Het Centraal Planbureau pleit ervoor om meer durfkapitaal in te zetten, minder wetten en regelgeving te hanteren. Daarmee zou de creatieve destructie weer op gang kunnen komen. Naast de al bestaande Europese Investeringsbank adviseert het CPB nog een andere institutie in het leven te roepen om geld te verschaffen. Wanneer het faillissementsrecht minder strak gehanteerd zou worden kunnen bedrijven die het niet redden sneller hun activiteiten staken en plek maken voor nieuwe start-ups.[5]