Naar inhoud springen

buurman

Uit WikiWoordenboek
  • buur·man
enkelvoud meervoud
naamwoord buurman buurmannen
buurlieden
buurlui
verkleinwoord buurmannetje buurmannetjes

debuurmanm

  1. een man naast wie men woont
    • Toen mijn buurman op vakantie was, zorgde ik voor zijn huisdieren. 
    • Even is het stil, alsof hij een witregel laat vallen, kijkt me als zijn buurman aan tafel indringend aan, en daar gaat hij, in lijzig uitgesproken, gebeeldhouwde zinnen. [2] 
     De enige buurman die zonder tegenzin met papa praat, is de leraar van twee huizen verderop.[3]
     De nieuwe postbode bezorgt de post verkeerd, dus onze buurman klopt aan met een brief.[4]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Volkskrant John Schoorl25 februari 2019 81-jarige kunstenaar David Hockney woont in Los Angeles met zijn entourage en komt de dag door met heel veel sigaretten, maar zonder alcohol
  3. Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  4. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be