familieleden
Uiterlijk
- fa·mi·lie·le·den
de familieleden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord familielid
- ▸ Hij was er kalm onder en gedwee onderging hij de bescheiden stoet familieleden en vrienden die afscheid kwamen nemen.[1]
- ▸ Ze knielt voor de botten van haar familieleden en bedenkt dat ze iets zou moeten zeggen - een gebed, misschien -, maar ze is het verleerd om met deze doden te praten, of haar dank uit te spreken voor het leven dat ze vroeger hadden.[2]
- Het woord familieleden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332