Naar inhoud springen

familieleden

Uit WikiWoordenboek
  • fa·mi·lie·le·den

defamilieledenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord familielid
     Hij was er kalm onder en gedwee onderging hij de bescheiden stoet familieleden en vrienden die afscheid kwamen nemen.[1]
     Ze knielt voor de botten van haar familieleden en bedenkt dat ze iets zou moeten zeggen - een gebed, misschien -, maar ze is het verleerd om met deze doden te praten, of haar dank uit te spreken voor het leven dat ze vroeger hadden.[2]
  1. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332