Naar inhoud springen

genegenheid

Uit WikiWoordenboek
  • ge·ne·gen·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord genegenheid genegenheden
verkleinwoord - -

degenegenheidv

  1. (psychologie) het gesteld zijn op iemand
    • Hij koesterde een grote genegenheid voor die rakker van een buurjongen. 
     Ach, wie houd ik voor de gek: er is al maanden geen sprake van een beetje warmte en genegenheid in de echtelijke sponde.[1]
     Het is lang geleden dat ze elkaar aanraakten om genegenheid te tonen.[2]
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be