Naar inhoud springen

grappen

Uit WikiWoordenboek
  • grap·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grappen
grapte
gegrapt
zwak -t volledig

grappen

  1. inergatief iets grappigs zeggen
    • Af en toe grapte de pastoor zelfs en moesten de mensen hard lachen. 
    ▸ Wout Poels, meesterknecht voor Team Ineos, grapt dat hij maar beter zijn gravelbike kan meenemen.[1]
    ▸ Ze grapte dat ze een zwarte weduwe was die haar mannetje na het paren opat. Zij vroeg zich af waarom zij toch altijd drama’s aantrok: zo complex was ze toch niet? Ze vond kerels vaak veel te bezitterig. ‘In dat opzicht zijn vrouwen eigenlijk veel fijner en vaak ook een stuk mooier.’[2]

de grappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord grap
    ▸ ’Wie weet er een mop?’ riep een aarzelende stem. Een voor een begonnen we grappen en verhalen met elkaar te delen om de moed erin te houden.[2]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑ Bronlink Weblink bron
    Rob Gollin
    “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  2. 1 2
    Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be