Naar inhoud springen

hees

Uit WikiWoordenboek
  • hees
  • In de betekenis van ‘schor’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • [bijvoeglijk naamwoord] erfwoord Germaans *haisaz, vanwaar ook Angelsaksisch: hās en Oudnoords hás (vergelijk Limburgs heisj)
  • [zelfstandig naamwoord] hee met de uitgang -s [2]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen heesheserheest
verbogen hesehesereheeste
partitief heeshesers-

hees

  1. (personen) geen helder stemgeluid kunnen produceren.
    • Je klinkt nogal hees. 
     Rachel is inmiddels hees van het huilen.[3]
  2. (stem) niet helder, klankloos.
    • Wat heb je toch een hese stem! 
vervoeging van
hijsen

hees

  1. enkelvoud verleden tijd van hijsen
    • Ik hees. 
    • Jij hees. 
    • Hij, zij, het hees. 
     Gibbs hees de dikzak aan wal met een haak en de hulp van een paar leerlingen die de jongen in een witte plastic stoel zetten zodat hij een beetje op adem kon komen.[4]
     Wederom slingerde hij mijn touw in één keer over de hoge tak, bevestigde mijn voedselzak eraan, hees hem vier meter de lucht in en bond het touw vast aan de stam van de boom. Zo doe je dat.[5]

deheesmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hee
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[6]
  1. "hees" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  3. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  4. Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be