Naar inhoud springen

stoten

Uit WikiWoordenboek
  • sto·ten
  • In de betekenis van ‘een duw geven, schokken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stoten
stootte
verouderd: stiet
gestoten
gemengd

klasse 7
zwak -t

volledig

stoten

  1. overgankelijk met een korte snelle beweging (weg)duwen
    • De opspringende hond stootte hem van zijn krukje. 
    ▸ 'Zo stond mij,' beschrijft Kierkegaard, 'niets anders te doen dan tot het uiterste te gaan en haar waar mogelijk te hulp te komen met een leugen, in een poging haar van me af te stoten zodat ze haar gevoel van trots kan hervinden.[2]
  2. met iets ergens tegenaan slaan
    ▸ Hij moest bukken om zijn hoofd niet te stoten en vulde met zijn massieve lijf de hele opening.[3]
    ▸ Het enige geluid was het vallen van de as in de haard, het stoten en rammelen van de ruiten.[4]

de stoten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stoot
    ▸ Het braaksel stortte in lange stoten over Zijn uniform.[5]
    ▸ Het zendt ook radiogolven in stoten uit.[6]
  1. ▸ Censuur werd met horten en stoten opgeheven.[7]
∗ Ze aarzelden en wisselden een blik, waaruit ik opmaakte dat ze allebei naarstig zochten naar een reden om me af te wimpelen, dus kwebbelde ik door en vertelde ik met horten en stoten over de PCT.[8]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[9]