|
Carol Ann Duffy - Roodkapje Aan het eind van de jeugd liepen de huizen dood op speelvelden, de fabriek, volkstuinen onderhouden, als maitresses, door knielende getrouwde mannen, de zwijgende spoorlijn, de kluizenaarscaravan, tot je tenslotte de bosrand bereikte. Daar was het dat ik de wolf voor het eerst in het oog kreeg.
Hij stond op een open plek luidop zijn verzen te lezen met zijn lijzige wolvenstem, paperback in harige klauw, rode wijnvlekken op zijn bebaarde kaak. Wat had hij grote oren! En wat had hij grote ogen! En tanden! Ik zorgde ervoor dat hij, in de pauze, alleen mij zag, sweet sixteen, maagd, babe en wijf, en me trakteerde
op een drankje. Mijn eerste. U vraagt zich af waarom. Dit is waarom. Poëzie. Ik wist dat de wolf me zou leiden naar een donkere plek in het bos, ver van huis, een wirwar van doornen, slechts verlicht door uilenogen. Ik kroop mee in zijn zog, mijn kousen gescheurd, rode flarden van mijn blazer afgerukt door takken, sporen in een moordzaak. Ik verloor
mijn schoenen maar bereikte het, het hol van de wolf, pas op galmend in mijn bol. Les één van die nacht, de adem van de wolf in mijn oor, was het liefdesgedicht. Tot het eerste licht klitte ik me vast aan zijn beukende huid, want welk meisje houdt niet zielsveel van een wolf? Toen gleed ik uit de greep van zijn zware bezwete klauwen en zocht een levende vogel - witte duif - die recht uit mijn handen naar zijn open mond vloog. Eén beet, dood. O wat lekker, ontbijt op bed, zei hij en likte zijn lippen af. Zodra hij sliep, kroop ik naar het eind van het hol waar een hele muur rood- en goudgloeiend volstond met boeken. Woorden, woorden lagen springlevend op de tong, in het hoofd, warm, kloppend, razend, gevleugeld; muziek en bloed.
Maar toen was ik jong - pas na tien jaar in het bos wist ik dat een paddestoel de mond van een begraven lijk afsluit, dat vogels de uitgesproken gedachten van bomen zijn, dat een grijze wolf, jaar in jaar uit, hetzelfde lied naar de maan jankt, seizoen na seizoen, met hetzelfde rijm, met dezelfde reden. Ik nam een bijl naar een wilg
om te zien hoe hij huilde. Ik nam een bijl naar een zalm om te zien hoe hij sprong. Ik nam een bijl naar de wolf terwijl hij sliep, één houw, scrotum naar keel, en ik zag het glinsterend, maagdelijk wit van mijn grootmoeders botten. Ik vulde zijn oude buik met stenen. Ik naaide hem dicht. Uit het bos kom ik met mijn bloemen, zingend, heel alleen. |