Carl Anderson (natuurkundige)
Carl David Anderson | ||||
| Persoonlijke gegevens | ||||
| Geboortedatum | 3 september 1905 | |||
| Geboorteplaats | New York | |||
| Overlijdensdatum | 11 januari 1991 | |||
| Overlijdensplaats | San Marino (Californië) | |||
| Begraafplaats | Forest Lawn Memorial Park[1] | |||
| Land | Verenigde Staten | |||
| Nationaliteit | Amerikaans | |||
| Academische achtergrond | ||||
| Alma mater | Caltech John H. Francis Polytechnische School | |||
| Promotor | William Smythe | |||
| Wetenschappelijk werk | ||||
| Vakgebied | deeltjesfysica, natuurkunde | |||
| Nobelprijs voor Natuurkunde | ||||
| Jaar | 1936 | |||
| Reden | "Voor zijn ontdekking van het positron." | |||
| Gedeeld met | Victor Franz Hess | |||
| Voorganger(s) | James Chadwick | |||
| Opvolger(s) | Clinton Davisson George Paget Thomson | |||
| ||||
Carl David Anderson Jr. (New York, 3 september 1905 – San Marino (Californië), 11 januari 1991) was een Amerikaans experimentele astrofysicus. Hij is bekend als de ontdekker van zowel het positron, het antideeltje van het elektron, als van het muon.
Biografie
[bewerken | brontekst bewerken]Anderson werd geboren in de stad New York. Zijn ouders Carl David Anderson Sr. en Emma Adolfina Ajaxson[2] waren immigranten uit Zweden.
Carl David Jr. studeerde natuurkunde en techniek aan het California Institute of Technology (Caltech). Hij haalde daar in 1927 zijn BS, zijn PhD in 1930. Onder de leiding van Robert Millikan begon hij met het onderzoeken van de kosmische straling, energierijke deeltjes uit de ruimte die de dampkring van de Aarde inkomen. Hij ontdekte op 2 augustus 1932 op de foto's van zijn nevelvat onverwachte deeltjessporen. Hij stelde correct vast dat deze door een deeltje waren gecreëerd met dezelfde massa als een elektron, maar met een tegenovergestelde lading.
Anderson verkreeg het eerste directe bewijs dat er positronen door gammastraling konden ontstaan, die door thoriumcarbide ThC[3] in andere materialen worden geproduceerd. Deze ontdekking, die in september 1932 in een kort bericht in Science werd aangekondigd en die later door anderen werd bevestigd, bevestigde de theoretische voorspelling van Paul Dirac van het bestaan van antimaterie en van het positron. Het negatieve elektron kreeg van Anderson de naam negatron, maar die naam bleef niet hangen. Anderson deelde voor dit werk de Nobelprijs voor Natuurkunde in 1936 met de Oostenrijkse natuurkundige Victor Franz Hess.
Anderson deed in hetzelfde jaar 1936 dat hij de Nobelprijs kreeg een tweede belangrijke ontdekking, die van het muon. Hij bestudeerde samen met zijn promovendus Seth Neddermeyer kosmische stralen met behulp van een nevelvat toen hij opmerkte dat in zijn nevelvat sporen waren te zien met een grotere kromming dan van protonen, maar met een mindere kromming dan van elektronen. Hij trok de conclusie dat het om sporen van een nieuw deeltje moest gaan, met vergelijkbare eigenschappen als het elektron maar dan tweehonderd keer zwaarder. Hij noemde het deeltje daarom in eerste instantie zelf mesotron.[4] Het elementaire deeltje werd eerst μ-meson genoemd, maar dat werd later tot muon afgekort.
Hij en Neddermeyer dachten eerst dat ze het meson hadden waargenomen, een deeltje dat Hideki Yukawa in 1935 had in zijn theorie van de sterke wisselwerking voorspeld. Het werd al snel duidelijk dat het muon niet het door Yukawa gezochte deeltje kon zijn, het drong onder andere veel dieper door in allerlei stoffen. De ontdekking van het muon stelde de natuurkunde voor een raadsel omdat het deeltje zogezegd overbodig was, an alien particle from space. De verbaasde reactie van Isidor Isaac Rabi was wie dat had besteld. Het ontdekte muon bleek het eerste van een lange lijst subatomaire deeltjes te zijn die door fysici werden ontdekt.
Gedurende zijn gehele carrière was Anderson aan Caltech verbonden, van 1933 tot 1936 als docent en vervolgens tot 1976 als hoogleraar natuurkunde. Voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog werd Anderson door Arthur Compton gevraagd om een leidende rol te spelen in het Amerikaanse atoomprogramma dat later tot het Manhattanproject is uitgegroeid, maar Anderson sloeg het voorstel af. Hij richtte zich op de ontwikkeling van een raket met een vastebrandstofmotor voor de Amerikaanse marine.
Hij was met Lorraine Elvira Bergman getrouwd en ze hadden twee zonen, Marshall en David. Anderson overleed in 1991 en is op Forest Lawn - Hollywood Hills Cemetery begraven.
Erkenning
[bewerken | brontekst bewerken]- 1935 – Gouden Medaille van het American Institute of the City of New York
- 1936 – Nobelprijs voor Natuurkunde gedeeld met Victor Franz Hess
- 1937 – eredoctoraat van de Colgate University
- 1937 – Elliott Cresson Medal van het Franklin Institute
- 1945 – Presidential Certificate of Merit
- 1960 – John Ericsson Medal van de American Society of Swedish Engineers
Publicaties
[bewerken | brontekst bewerken]Het grootste deel van Andersons onderzoeken en ontdekkingen zijn gepubliceerd in Physical Review en Science, waaronder:
- C.D. Anderson (1932). The Apparent Existence of Easily Deflectable Positives. Science 76 (1967): 238-9. DOI: 10.1126/science.76.1967.238.
- C.D. Anderson (1933). The Positive Electron. Physical Review 43 (6): 491-4. DOI: 10.1103/PhysRev.43.491.
- voetnoten
- ↑ Find a Grave; geraadpleegd op: 30 juni 2024.
- ↑ (en) Biografie Carl David Anderson op Notable Names Database (NNDb)
- ↑ ThC is de historische naam voor 208Tl, een isotoop van thallium.
- ↑ S. Neddermeyer, C.D. Anderson (1937). Note on the Nature of Cosmic-Ray Particles. Physical Review 51 (10): 884-886. DOI: 10.1103/PhysRev.51.884.
- bronvermelding
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Carl_David_Anderson op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.