Naar inhoud springen

Castellum Meinerswijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Castellum Meinerswijk
Zowel Castra Herculis als Levefanum, de twee bekendste identificaties van dit castellum, zijn rechtsboven op de Peutingerkaart (Tabula Peutingeriana) terug te vinden.
Zowel Castra Herculis als Levefanum, de twee bekendste identificaties van dit castellum, zijn rechtsboven op de Peutingerkaart (Tabula Peutingeriana) terug te vinden.
Castellum Meinerswijk (Nederland)
Castellum Meinerswijk
Situering
Land Nederland
Locatie Arnhem
Coördinaten 51° 58 NB, 5° 52 OL
Informatie
Id Castra Herculis (Willems) of Levefanum (Verhagen en Heeren)
Portaal  Portaalicoon   Archeologie
Schanskorven tonen waar muren van Castellum Meinerswijk gelokaliseerd zijn. Op de achtergrond, in het westen, ligt Spoorbrug Oosterbeek.

Het castellum Meinerswijk was een castellum, een fort voor hulptroepen, in Romeins Nederland. Tegenwoordig liggen de overblijfselen ervan in de uiterwaarden aan de zuidoever van de Rijn bij Meinerswijk, een westelijk deel van Arnhem. Het castellum werd bij archeologische opgravingen ontdekt in 1978 en 1991.

De ontdekking ervan betekende een grote doorbraak in het onderzoek naar de Romeinse geschiedenis op de plek van Arnhem, waarover tot dan toe nog vrijwel niets met zekerheid bekend was.

Het oorspronkelijke fort was vermoedelijk van hout. Het moet tussen de jaren 10 en 20 n.Chr. zijn gebouwd door de Romeinse generaal Germanicus (zoon van Nero Claudius Drusus) aan de zuidzijde van de Rijn. Het beschermde de Romeinse scheepvaart over de Rijn. Mogelijk lag hier ook (een van) de Drususgrachten, die vanuit de Rijn naar het noorden gegraven waren.[1][2] In de Romeinse tijd stroomde de Oude IJssel vanaf Doesburg naar het zuiden om bij het Castellum in de Rijn te stromen.[3]

Halverwege de eerste eeuw werd het fort herbouwd, mogelijk door de Romeinse bevelhebber Gnaius Domitius Corbulo. Corbulo gebruikte de Drususgracht namelijk om zijn troepen snel naar het noorden te kunnen vervoeren in zijn strijd tegen de Frisii en Chauken. Een gedeelte van het 5e legioen Alaudae was gestationeerd in dit castellum. Bij de Bataafse Opstand in 69 n.Chr. staken de Bataven het in brand, maar toen de opstand een jaar later was neergeslagen, werd het strategisch gelegen fort herbouwd en vergroot. Het fort moet rond 120 n.Chr. onder keizer Hadrianus opnieuw zijn herbouwd en versterkt. Vermoedelijk in de periode tussen 170 en 220 n.Chr. werd het castellum nogmaals herbouwd, ditmaal in steen.[4][5]:66

De oprichting van het Gallische keizerrijk in 260 door de usurpator Postumus leidde ertoe dat het castellum werd verlaten. Mogelijk werd het in de tweede helft van de vierde eeuw nog eens herbouwd, ditmaal in het kader van de versterking van de Rijngrens, een onderdeel van de limes. Vrij kort daarna, omstreeks het jaar 400, verlieten de Romeinen het fort in de periode dat zij Noordwest-Europa definitief opgaven.

Uit bodemvondsten is opgemaakt dat er in de eerste tijd daarna een Frankisch kasteel heeft gestaan. In de 8e eeuw stond dit gebied bekend als Meginhardeswich ("dorp van Meginhard").[6]

Archeologisch onderzoek

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1979 werd in Meinerswijk een kleinschalig bodemonderzoek gedaan, waarbij verschillende stenen muren, gestempeld aardewerk (terra sigillata) en dakpannen werden gevonden. In 1991 en 1995 werden opgravingen gedaan waarbij de zuidelijke muur met de achterste poort (porta decumana) werd ontdekt. Ook het hoofdgebouw (principia) van het castellum werd gevonden.[7]

Het opgegraven hoofdgebouw van 34 bij 38 meter had muren van 1,4 meter dik. De omzuilde voorhof gaf toegang tot een grote hal of basilica. Achter de hal bevonden zich werkruimten en het vaandelheiligdom (aedus). Er zijn dakpannen gevonden uit de ovens van Holdeurn, die op de plek van Berg en Dal stond. Andere noemenswaardige vondsten zijn resten van een stenen plaat met de naam van keizer Alexander Severus (mogelijk bevestigd op een beeldsokkel). Ook is er een bouwinscriptie LEGIMPF die verwijst naar Legio I Minervia, en vermoedelijk dateert uit de tijd van Marcus Aurelius.[8][5]:66-68

Werelderfgoed

[bewerken | brontekst bewerken]

In 2021 zijn de meest complete en best bewaarde vindplaatsen van de Neder-Germaanse limes aangemerkt als cultureel werelderfgoed[9] als uitbreiding op de delen in Duitsland en Engeland.

De archeologische vondsten bij Meinerswijk zijn uit de volgende overwegingen opgenomen:

De bekendste overblijfselen van fort Meinerswijk zijn die van het hoofdkwartier en van de verdedigingswerken aan de achterzijde bij het fort, beide uit de stenen bouwfase. Ze laten zien dat Meinerswijk van het ‘deltatype’ is. In het oostelijke deel van het rivierengebied is het tot nu toe de enige bekende vertegenwoordiger van dit type.

Veronderstelde en achterhaalde theorieën

[bewerken | brontekst bewerken]

Op basis van de door hem geleide opgravingen van het castellum bij Meinerswijk kwam archeoloog Willem Willems aanvankelijk tot de conclusie dat dit hetzelfde Romeinse fort moest zijn als Castra Herculis, een van de legerkampen die worden aangegeven op de Peutingerkaart (Tabula Peutingeriana) langs de weg tussen Noviomagus (waarvan de volledige naam Ulpia Noviomagus Batavorum zou zijn geweest, ofwel Romeins Nijmegen) en Carvo (een plaats die door Willems werd geïdentificeerd als het huidige Kesteren).[10] Castra Herculis wordt verder door Ammianus Marcellinus genoemd als eerste van de zeven steden (civitates) die door keizer Julianus Apostata in 359 zijn heroverd, hersteld en van voedsel voorzien.[11] Het zou daarom ten westen van Quadriburgium (Qualburg) aan de limes hebben gelegen. Argumenten ten faveure van deze identificatie waren onder andere dat de afstand tussen Nijmegen Centrum en Arnhem Meinerswijk redelijk overeenkomt met de afstand in leugae tussen Noviomagi en Castra Herculis op de Peutingerkaart. Bovendien meende Willems bewijs te hebben gevonden voor herstelwerkzaamheden aan deze vesting in de vierde eeuw.[12]

Bij nader archeologisch onderzoek van het fort bij Meinerswijk in 1991 en 1992 werd echter maar beperkt 4e-eeuwse aardewerkfragmenten gevonden, waarbij het materiaal dat Willems had geïnterpreteerd als bewijs voor 4e-eeuws herstel door Hulst[13] werd geïnterpreteerd als puin in een gracht. Bovendien bleek het gevonden castellum relatief klein. De benaming castra paste hier niet goed bij, ook niet naar laat-Romeinse maatstaven. Jan Verhagen en Stijn Heeren kwamen daarom, mede op grond van de veronderstelde ligging, tot de nieuwe conclusie dat het fort bij Meinerswijk het – eveneens op de Peutingerkaart aangegeven – Levefanum is, een naam die voordien werd verbonden aan een verondersteld castellum en/of een vicus (woonplaats) tussen Rijswijk en Wijk bij Duurstede. Nog een ander argument dat in die richting pleitte was de vondst in Malburgen van een altaarsteen die lijkt te zijn gewijd aan Hercules Magusanus (de veronderstelde oppergod van de Bataven) en Haeva, een naam die vermoedelijk ook in Levefanum zit.[14][15] In zijn proefschrift uit 2022 geeft Verhagen echter weer de voorkeur aan het fanum van Elst als meest plausibele identificatie van Levefanum.[16] Castra Herculis was volgens Verhagen en Heeren de naam van de (beduidend grotere) Romeinse fortificaties in en nabij Nijmegen.[17][18]

  • Saskia G. van Dockum: Das niederländische Flussgebiet. In: Tilmann Bechert und Willem J. H. Willems: Die römische Reichsgrenze zwischen Mosel und Nordseeküste. Theiss, Stuttgart 1995, ISBN 3-8062-1189-2, p. 77f.
  • Piet G. van der Gaauw: Boor- en weerstandsonderzoek castellum Meinerswijk. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam 1989, ISSN 0925-6229, (= RAAP-rapport, 41)
  • Rudi S. Hulst: The Castellum at Arnhem-Meinerswijk. The Remains of Period 5. ROB, Amersfoort 2001, p. 397–438, ISSN 0167-5443, (= Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 44)
  • Willem J. H. Willems: Castra Herculis. Een Romeins castellum bij Arnhem. ROB, Amersfoort 1980, ISSN 0923-702X, (= Overdrukken – Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 145)
  • Willem J. H. Willems: The Roman Fort at Arnhem-Meinerswijk. ROB, Amersfoort 1986, (= Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 34)