Naar inhoud springen

interesse

Uit WikiWoordenboek
  • in·te·res·se
enkelvoud meervoud
naamwoord interesse interesses
interessen
verkleinwoord - -

de interesse v

  1. belang, belangrijkheid, importantie
    • Het is alsmede niet juist, te zeggen, dat het leenen van andere roerende zaken tegen interessen geene leneng, maar eigenlijke huur zijn;[3] 
  2. belangstelling
    ▸ Sinds haar man haar vier jaar geleden had verlaten, was Cassie hier definitief komen wonen en kwam ze vaak langs in de hoop de interesse van papa te wekken.[4]
    ▸ Gijs' hoffelijkheid en oprechte interesse in mij deden Lauren ontdooien.[5]
  3. iets waar belangstelling voor is
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. ↑ "interesse" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. ↑ interesse op website: Etymologiebank.nl
  3. ↑ blz 199 Het Nederlandsch burgerlijk regt: naar de volgorde van het burgerlijk wetboek
    door Gerhardus Diephuis
    Editie: 2 Uigegeven door J.B. Wolters, 1859
  4. ↑
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  5. ↑
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  6. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be