Sumatraanse den
| Sumatraanse den IUCN-status: Kwetsbaar | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| in Loei | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus merkusii Jungh. & de Vriese (1845) | ||||||||||||||
| Natuurlijk verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De Sumatraanse den (Pinus merkusii) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae), die van nature voorkomt in het noordelijke en centrale deel van Sumatra en op de Filipijnse eilanden Luzon en Mindoro ; deze soort wordt in heel Indonesië commercieel benut. Op Sumatra bevinden de grootste populaties zich rond het Tobameer en langs het Barisangebergte, waarbij het verspreidingsgebied zich in zuidelijke richting uitstrekt tot voorbij de 2e breedtegraad zuiderbreedte. Hiermee heeft de Sumatraanse den het meest zuidelijke verspreidingsgebied van alle dennensoorten en is het de enige den die ten zuiden van de evenaar voorkomt. De Sumatraanse den groeit in bergachtige gebieden, waar de soort open dennenbossen of door brand in stand gehouden dennensavannes vormt. Deze ecosystemen worden sterk beïnvloed door menselijke activiteiten en zijn mogelijk zelfs daardoor ontstaan. Als aanpassing aan frequente branden ontwikkelt de soort een zogenaamd 'grasstadium'. Het verspreidingsgebied valt binnen de hardheidszone 10, die wordt gekenmerkt door een gemiddelde jaarlijkse minimumtemperatuur tussen −1,1 en +4,4 °C.[1][2]
Uit de hars worden grote hoeveelheden terpentijn gewonnen. Deze soort is ook te vinden in botanische tuinen in Indonesië en de Filipijnen. De soortaanduiding merkusii is een eerbetoon aan luitenant Hendrik Merkus de Kock, die van 1826 tot 1830 als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië diende.[3]
Beschrijving
[bewerken | brontekst bewerken]De Sumatraanse den is een groenblijvende boom die een hoogte kan bereiken van 45 – of wellicht zelfs 70 – meter. De boom heeft een opgaande, rechte stam die een diameter tot 200 centimeter kan bereiken. De bast is roodbruin of donkerbruin; deze kan dun en relatief glad zijn, of juist dik, schilferig en ruw, waarbij ze uiteenvalt in talloze kleine, donkergrijze stukjes. De takken groeien horizontaal of staan schuin omhoog, waardoor een open, breed kegelvormige of onregelmatige kroon ontstaat. De twijgen met naalden zijn robuust en hebben een gladde, bruine tot donkerbruine bast.[3]
De knoppen zijn cilindervormig en hebben geen hars; de eindknoppen zijn 1,5 tot 2 centimeter lang. De knopschubben zijn bruin van kleur. De naalden groeien in paren en ontspringen uit een blijvende, 12–18 millimeter lange, roodbruine bladschede. De naalden zijn matgroen, lang en zeer slank, recht of licht gebogen, en buigzaam; ze zijn 15 tot 20 centimeter lang en ongeveer 1 millimeter dik. De randen van de naalden zijn fijn getand en de punten zijn scherp. Aan alle zijden van de naalden bevinden zich fijne lijntjes van huidmondjes. De naalden vallen na twee jaar af.[3]
De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien rechtop en staan in spiraalvormige clusters. Ze zijn cilindervormig, 1,5 tot 2,5 centimeter lang en hebben een diameter van ongeveer 5 millimeter.De vrouwelijke kegels (zaadkegels) groeien doorgaans solitair – zelden in paren – op jonge takken. Ze zitten aan een stevige steel en staan vrijwel haaks op de tak. In gesloten toestand zijn de vrouwelijke kegels langwerpig-kegelvormig, meestal 6 tot 10 (variërend van 5 tot 11) centimeter lang en 4 tot 8 centimeter in diameter; eenmaal geopend zijn ze breed eivormig. De zaadschubben zijn licht roodbruin, dun, stijf en langwerpig; ze zijn ongeveer 3 millimeter lang en 1,2 tot 1,5 millimeter breed in het midden van de kegel. De apofyse is glanzend roodbruin tot donkerbruin, verheven, ruitvormig of onregelmatig vijfhoekig van omtrek, duidelijk dwars gekield en voorzien van radiale strepen of groeven. De umbo is plat of licht ingedrukt, stomp aan de top en heeft geen stekel.
De grijsbruine zaden zijn omgekeerd eivormig, enigszins afgeplat, 5 tot 7 millimeter lang en hebben een diameter van ongeveer 4,5 millimeter. De vleugel is smal, 20 tot 25 millimeter lang en blijft aan het zaad zitten.
De vrouwelijke kegels rijpen in het tweede jaar na de bestuiving.[4][2]
- Bomen
- Bast
- Bast
- Naalden
- Takje met afgevallen naalden
- Mannelijke kegels
- Vrouwelijke kegels
- Vrouwelijke kegel
Gebruik
[bewerken | brontekst bewerken]De Sumatraanse den werd tijdens de koloniale periode door de Nederlanders op grote schaal in Indonesië aangeplant, zelfs buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied. Deze praktijk werd later door de Indonesiërs voortgezet. De Sumatraanse den is daar de belangrijkste bron van dennenhars, waardoor Indonesië een van de grootste producenten van terpentijn ter wereld is, dat wordt verkregen door de hars te distilleren. Op de Filipijnen wordt hars geoogst van zowel de Sumatraanse den als khasi-den. Per boom kan jaarlijks drie tot vier kilogram worden verkregen. Jongere bomen produceren meer hars dan oudere, waarvan het hout vervolgens wordt verwerkt tot pulp voor de papierproductie. Het hoogwaardige hout wordt ook gebruikt als constructiehout en voor de productie van panelen en meubels.[1][2]
Taxonomie
[bewerken | brontekst bewerken]Pinus merkusii vertoont een sterke gelijkenis met Pinus latteri, een verwante soort (vicariante soort) die eveneens in Zuidoost-Azië voorkomt. Het zogenaamde "grasstadium" van de zaailingen – een aanpassing aan frequente graslandbranden – werd voorheen beschouwd als een belangrijk onderscheidend kenmerk tussen beide soorten. Omdat dit stadium inmiddels bij beide soorten is waargenomen, is het echter de vraag of de morfologische verschillen – die louter kwantitatief van aard zijn – hun status als afzonderlijke soorten rechtvaardigen. Mocht dit niet het geval zijn, dan zou Pinus latteri geclassificeerd moeten worden als een variëteit, Pinus merkusii var. latteri (Mason) Silba, of als een ondersoort, Pinus merkusii subsp. latteri (Mason) D.Z.Li.[5]
Synoniemen voor Pinus merkusii Jungh. & de Vriese zijn onder meer: Pinus finlaysoniana Wall. ex Blume en Pinus sumatrana Mirb.
Externe links
[bewerken | brontekst bewerken]- Pinus arizonica in The Gymnosperm Database
- GBIF met o.a. verspreidingsgebied
- Conifersgarden met afbeeldingen
- Inaturalist afbeeldingen
- 1 2 Aljos Farjon: A Handbook of the World's Conifers, Band 2, S. 711.
- 1 2 3 Christopher J. Earle, Pinus merkusii, The Gymnosperm Database, geraadpleegd op 2013-03-09
- 1 2 3 Aljos Farjon: A Handbook of the World's Conifers, Band 2, S. 710.
- ↑ Aljos Farjon: A Handbook of the World's Conifers, Band 2, S. 710–711.
- ↑ Aljos Farjon: A Handbook of the World's Conifers, Band 2, S. 699.