Chinese witte den
| Chinese witte den IUCN-status: Niet bedreigd | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus armandii Franch. (1884) | ||||||||||||||
| Natuurlijk verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De Chinese witte den (Pinus armandii) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae). De Chinese den komt van nature voor in China, van het zuiden van Shanxi in westelijke richting tot in het zuiden van Gansu en in zuidelijke richting tot in Yunnan, met geïsoleerde populaties in Anhui en op Taiwan. Op Taiwan groeit de boom op hoogtes van 2200 tot 3000 meter, en het verspreidingsgebied strekt zich ook een klein stukje uit tot in het noorden van Myanmar.[1]
In Nederland staat de Chinese witte in het Pinetum De Dennenhorst, Lunteren, Landgoed Schovenhorst, Putten en Pinetum De Belten, Vorden.
Beschrijving
[bewerken | brontekst bewerken]De Chinese witte den groeit als een groenblijvende boom en bereikt een hoogte van 30 tot 35 meter. De stam bereikt op borsthoogte een diameter tot 100 centimeter. De bast is grijs of purpergrijs; aanvankelijk glad, maar bij oudere bomen uiteenvallend in grote, min of meer rechthoekige platen. De takken van jonge bomen groeien in schijnkransen en vormen een kegelvormige kroon, die bij oudere bomen zich verbreedt tot een ronde, open kroon. De twijgen die naalden dragen zijn glad. Jonge scheuten zijn kaal – aanvankelijk groen, grijsgroen of grijsbruin – en hebben soms een blauwgroene waas; later kleuren ze bruin.[2]
De vegetatieve knoppen zijn cilindervormig en enigszins harsachtig. Eindknoppen zijn 10 tot 15 millimeter lang, terwijl zijknoppen kleiner en duidelijker eivormig zijn. De naalden groeien gewoonlijk in bundels van vijf (zelden zes of zeven) binnen een schede van tere schubben aan de basis, die vroeg afvalt; deze schede is 2 tot 7 millimeter lang. De naalden zijn donkergroen, afstaand of hangend, dun en flexibel, met een verdikte basis, en vaak gekromd nabij de basis. Ze variëren in lengte van meestal 8 tot 14 centimeter en zijn 1,0 tot 1,5 millimeter breed, met een driehoekige doorsnede. Alleen de twee naar de as toe gerichte zijden (adaxiale zijden) hebben dunne lijnen bestaande uit huidmondjes. Er worden gewoonlijk drie – zelden twee of tot zeven – harskanalen gevormd. De naalden blijven twee tot drie jaar aan de boom zitten.[2][3]
De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien in spiraalsgewijs gerangschikte, langwerpige trossen aan de basis van jonge scheuten. Ze zijn groenwit met een roodachtige top, cilindervormig tot eivormig-ellipsoïde, gewoonlijk 1,5 tot 2,5 (zelden tot 3) centimeter lang, en kunnen zowel slank als robuust zijn.[2] De vrouwelijke kegels (zaadkegels) groeien solitair of in paren. Aanvankelijk groen en rechtopstaand, worden ze later min of meer hangend. Ze zitten aan stevige, gekromde stelen van 2 tot 3 centimeter lang. De kegels zijn vaak harsachtig, kegelvormig-cilindrisch en 8 tot 14 centimeter lang. In geopende toestand hebben ze een diameter van 5 tot 8 centimeter en kleuren ze in diverse bruintinten. De 70 tot 100 zaadschubben zijn houtig en stijf, 3 tot 4 centimeter lang en 2,5 tot 3,0 centimeter breed; met uitzondering van de schubben aan de basis van de kegel buigen ze licht naar binnen. Aan de naar de as toe gerichte zijde (adaxiaal) van de basis bevinden zich twee holten waarin de zaden liggen. De apofyse is ruitvormig of driehoekig, vaak dik en houtig, lichtgeelbruin of donkerroodbruin van kleur, en heeft een rechte of licht teruggebogen rand. De umbo bevindt zich aan de top van de apofyse en is onopvallend en stomp.[2][3]
De zaden variëren in kleur van licht- of donkerbruin tot zwart; ze zijn omgekeerd eivormig, 10 tot 15 millimeter lang en 6 tot 10 millimeter breed. Ze zijn vleugelloos of hebben een smalle richel langs de van de as afgekeerde rand (abaxiaal). Slechts zelden wordt een rudimentaire zaadvleugel gevormd, met een lengte van 1 tot 4 (soms tot 7) millimeter.[2]
- Bast
- Jonge scheuten en twijg met naalden
- Naalden met huidmondjes
- Mannelijke kegels van Pinus armandii var. mastersiana
- Zeer jonge vrouwelijke kegels
- Jonge vrouwelijke kegel
- Vrouwelijke kegels met losse naaldbundel
- Zaad

Gebruik
[bewerken | brontekst bewerken]De zaden worden verkocht als pijnboompitten. Het hout wordt gebruikt voor algemene bouwdoeleinden; de soort is van belang voor bosbouwplantages in bepaalde delen van China. Daarnaast wordt de boom in Europa en Noord-Amerika als sierboom aangeplant in parken en grote tuinen.
Taxonomie en onderzoeksgeschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Er worden drie variëteiten onderscheiden:
- Pinus armandii var. armandii: Jonge scheuten zijn groen of grijsgroen. De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) zijn dik, eivormig tot ellipsvormig en 1,5 tot 2,0 centimeter lang. De apofyse van rijpe kegels is geelbruin of lichtbruin, dik en houtachtig, ruitvormig, en niet teruggebogen (of voorzien van een slechts licht teruggebogen umbo). De zaden zijn donkerbruin tot bijna zwart. Het verspreidingsgebied omvat de Chinese provincies Chongqing, zuidelijk Gansu, Guizhou, Hainan, Henan, Hubei, Shaanxi en Yunnan, evenals zuidoostelijk Tibet en Myanmar.[2] Deze variëteit staat op de IUCN-lijst als "Least Concern" (niet bedreigd). De soort is wijdverbreid en in sommige gebieden zeer algemeen.
- Pinus armandii var. dabeshanensis (W.C.Cheng & Y.W.Law) Silba: De naalden zijn 5 tot 14 centimeter lang. De apofyse is dik en houtachtig. De zaden zijn lichtbruin en vertonen een rudimentaire vleugel. Het natuurlijke verspreidingsgebied ligt in de Chinese provincies Anhui (in de districten Jing Zhai en Yuexi), Henan (in het district Shangcheng) en Hubei (in de districten Luotian en Yingshan); de variëteit is daarmee endemisch voor China.[4]De soort komt voor in bergachtige gebieden op hoogtes tussen 900 en 1400 meter, soms op blootliggende rotsformaties. De IUCN classificeert deze variëteit als "kwetsbaar" (Vulnerable). Voorheen werd ze geclassificeerd als "bedreigd" (Endangered) vanwege meldingen van een populatieafname van ten minste 70 procent. Hoewel dit cijfer niet kon worden bevestigd, wordt uitgegaan van een afname van ten minste 30 procent. Het verspreidingsgebied beslaat minder dan 20.000 vierkante kilometer, verdeeld over vijf sterk gefragmenteerde populaties. De populaties blijven afnemen door houtkap. Exemplaren van deze variëteit werden voor het eerst als een aparte soort, Pinus dabeshanensis, beschreven door Cheng en Law in Acta Phytotaxonomica Sinica in 1975.[5] In 1990 herclassificeerde John Silba de plant als een variëteit van de soort Pinus armandii.[6] In de Flora of China (1999) wordt het taxon toegewezen aan de soort Pinus fenzeliana als de variëteit Pinus fenzeliana var. dabeshanensis (W. C. Cheng & Y. W. Law) L. K. Fu & Nan Li.[7]In 2005 handhaafde Aljos Farjon het taxon als een variëteit van Pinus armandii. De dikkere zaadschubben en rudimentaire zaadvleugels lijken op die van de variëteit armandii, al kunnen deze kenmerken ook wijzen op een onafhankelijk geëvolueerde aanpassing aan de omgevingsomstandigheden.[4]
- Pinus armandii var. mastersiana (Hayata) Hayata: Jonge scheuten zijn grijsbruin. Zelfs in volledig ontwikkelde staat blijven de mannelijke kegels slank en cilindervormig, met een lengte van 2 tot 3 centimeter. De apofyse is bij de top meestal licht naar achteren gebogen en kleurt bij rijpe kegels bruin tot roodbruin. Het natuurlijke verspreidingsgebied ligt in 'Taiwan, specifiek in het Alishan-gebergte en op de Yushan, de hoogste bergtop van het eiland.[4] Deze variëteit groeit op hoogtes van 1800 tot 2800 meter in bergachtige gebieden en soms in bossen, samen met (Tsuga chinensis) en Pinus taiwanensis; de ondergroei bestaat onder meer uit Acer caudatifolium, Rhododendron rubropilosum, Viburnum parvifoliumen diverse hulstsoorten (Ilex). De boom komt ook voor in bossen die gedomineerd worden door verschillende soorten schijncipres (Chamaecyparis). Op de IUCN-lijst staat de soort vermeld als "bedreigd" (Endangered). De soort is slechts van drie locaties bekend, met een verspreidingsgebied ("extent of occurrence") van 737 vierkante kilometer en een gezamenlijk werkelijk bezet areaal ("area of occupanc") van slechts 75 vierkante kilometer. Deze variëteit is de enige vertegenwoordiger van de subsectie Strobus in Taiwan; het hout is van aanzienlijk betere kwaliteit voor timmerwerk en meubelmakerij dan dat van andere inheemse dennensoorten. Dit heeft geleid tot overexploitatie van de bestanden, die nog steeds in omvang afnemen. Enkele van de resterende populaties worden echter beschermd binnen het Yushan National Park. Het taxon werd oorspronkelijk in 1908 door Hayata Bunzō beschreven als een aparte soort, Pinus mastersiana, maar later datzelfde jaar herclassificeerde hij het als een variëteit van Pinus armandii. In 1999 beschreef Roman Businský het taxon als een ondersoort, Pinus armandii subsp. mastersiana (Hayata) Businský, maar deze naam wordt slechts als synoniem gebruikt.[4]
James E. Eckenwalder onderscheidt nog twee andere variëteiten: Pinus armandii var. amamiana (G. Koidzu) Hatusima[3] en Pinus armandii var. fenzeliana (Handel-Mazzetti) Eckenwalder[17] – tot de soort Pinus armandii, terwijl Aljos Farjon ze classificeert als afzonderlijke soorten: Pinus amamiana en Pinus fenzeliana. Eckenwalder baseert deze indeling op de overeenkomsten in hun verspreidingsgebieden en morfologische kenmerken, zoals de vergelijkbare structuur van de vrouwelijke kegels en de vleugelloze of slechts zwak gevleugelde zaden.[3]
- ↑ Critchfield, William Burke, Little, Elbert L. (1966). Geographic distribution of the pines of the world. United States Forest Service.
- 1 2 3 4 5 6 Aljos Farjon: A Handbook of the World's Conifers, Band 2, S. 633
- 1 2 3 4 James E. Eckenwalder: Conifers of the World, S. 411
- 1 2 3 4 Aljos Farjon: A Handbook of the World's Conifers, Band 2, S. 634
- ↑ Pinus dabeshanensis The International Plant Name Index geraadpleegd 2013-08-25
- ↑ Pinus armandii var. dabeshanensis The International Plant Name Index geraadpleegd 13-08-25
- ↑ Liguo Fu, Nan Li, Thomas S. Elias, Robert R. Mill: Pinus fenzeliana var. dabeshanensis, in Flora of China, Band 4, S. 24