Naar inhoud springen

Suske en Wiske

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Zie Suske en Wiske (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Suske en Wiske.
Suske en Wiske
Logo van de strip (Vierkleurenreeks)
Logo van de strip (Vierkleurenreeks)
Land van oorsprong Vlag van België België
Oorspronkelijke taal Nederlands
Genre humoristische strip, avonturenstrip, historische strip, kinderstrip, fantasystrip
Creatieteam
Bedenker(s) Willy Vandersteen
Schrijver(s) Willy Vandersteen (1945-1971, 1975-1977, 1982, 1985-1986, 1988), Paul Geerts (1971-2002), Marc Verhaegen (1988-2005), Peter Van Gucht (2005-heden)
Tekenaar(s) Willy Vandersteen, Paul Geerts, Marc Verhaegen, Luc Morjaeu (2005-2023), Wout Schoonis (2023-heden)
Publicatie
Syndicatie Scriptoria Antwerpen (1976-1987)
Uitgever Standaard Uitgeverij
Publicatiemedia Stripboeken, kranten
Huidige status Lopend
Eerste publicatie 30 maart 1945
Portaal  Portaalicoon   Strip

Suske en Wiske is een Belgische stripreeks die werd bedacht door Willy Vandersteen, die in het begin ook alle verhalen geheel zelf uitwerkte en tekende. Later is de reeks voortgezet door achtereenvolgens Paul Geerts, Marc Verhaegen, het duo Luc Morjaeu (later vervangen door Wout Schoonis) en Peter Van Gucht van Studio Vandersteen. Het is een van de bekendste en populairste langlopende stripseries geworden in zowel Vlaanderen als Nederland. Een deel van de verhalen is daarnaast in vertaling in een aantal andere landen uitgebracht.

De serie loopt sinds 1945. De verhalen werden gedurende de eerste paar jaar aanvankelijk gepubliceerd in De Nieuwe Standaard (van 1945 tot 1947), later in De Standaard (vanaf 1947), alvorens als album te verschijnen. Nadien begon men ze ook in allerlei andere Vlaamse en Nederlandse kranten voor te publiceren.

Muurschildering in Middelkerke

De verhalen zijn altijd in de eerste plaats humoristisch van inslag geweest, met daarnaast een moraliserende ondertoon. Vooral in de beginjaren stond er vaak een actueel maatschappelijk thema centraal. Daarnaast is er voor veel verhalen sterk inspiratie gehaald uit vooral de Vlaamse en Nederlandse folklore, bekende sprookjes, volksverhalen en mythologie. Ook de geschiedenis staat heel vaak centraal; in veel verhalen is sprake van tijdreizen door de hoofdpersonages.

Vaste personages

[bewerken | brontekst bewerken]
Stripmuur in Brussel, met daarop de hoofdpersonages (van onder naar boven) Jerom, Lambik, Sidonia, Suske en Wiske met Schanulleke – tezamen gedragen door Manneken Pis.
Zie Lijst van personages uit Suske en Wiske voor een volledige lijst van personages die voorkomen in de verhalen van Suske en Wiske

Hoofdpersonages

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Suske – Maakte zijn debuut in het tweede verhaal, Het eiland Amoras. Hij is een nazaat van Sus Antigoon, die eind 16e eeuw op het eiland Amoras een nieuwe stad stichtte. Zijn eigenlijke naam is François, Wiske noemt hem ook wel Franciscus (een verwijzing naar de voornaam van Willy Vandersteens vader). Oorspronkelijk woonde Suske zelf op Amoras, maar tante Sidonia adopteerde hem. Bij zijn introductie in de strip is hij nog een schaars geklede woesteling, die volledig uit zijn vel springt wanneer hij iemand "Seefhoek vooruit" hoort roepen.[a] In vrijwel alle latere verhalen is hij daarentegen een doorsnee jongen zonder kleurrijk karakter. Hij is echter wel moedig, idealistisch, trouw, meestal intelligent en ook tamelijk sterk.
  • Wiske – Een meisje dat aan het begin van de strip een jaar of acht is, later lijkt ze een paar jaar ouder. Ze is de jongere zus van Rikki. Ze woont in bij haar tante Sidonia, die ook de rol van haar opvoedster op zich heeft genomen. Wie Wiskes en Rikki's ouders zijn of wat daarmee is gebeurd, wordt nergens in de verhalen duidelijk. Ze is redelijk intelligent, maar vertoont ook een aantal minder positieve karaktertrekken: zo is ze vaak nieuwsgierig, jaloers, koppig, impulsief en soms ijdel. Wanneer de situatie ertoe noopt, kan ze deze gebreken echter ook weer opzijzetten en haar goede inborst tonen. Haar eigenlijke naam is Louise – vermoedelijk een verwijzing door Willy Vandersteen naar de actrice Louisa Ghijs – maar zo wordt ze slechts bij uitzondering genoemd. Helena Vandersteen, Willy Vandersteens oudste dochter, stond als kind model voor dit personage.[1]
  • Tante Sidonia – Wiskes tante. Ze is een lange en erg magere vrouw, die haar mannetje kan staan in noodsituaties. In veel verhalen vervult ze min of meer de bijrol van adoptiemoeder van zowel Suske als Wiske, maar met name in de oudste verhalen heeft ze zelf soms ook heel actieve rol. Haar zwakke punt zijn vooral de zenuwinstortingen die ze geregeld krijgt. In de oorspronkelijke verhaalversies was haar naam nog Sidonie.
  • Lambik – Werd in zijn debuutverhaal uit 1946, De sprietatoom, door professor Barabas ingehuurd als privédetective en is sindsdien altijd een van de vaste hoofdpersonages gebleven. Hij zorgt door zijn vaak grote onhandigheid en enorme onnozelheid meestal voor de grappigste momenten in de verhalen. Vandersteen gaf hem in de allereerste schetsen (1944/1945) de naam Pukkel. Zijn huidige naam is afgeleid van het lambiekbier. In Nederland heette hij aanvankelijk Lambiek.[2] Het is niet helemaal duidelijk waar Vandersteen zijn inspiratie voor dit personage vandaan haalde; de Franse acteur Fernand Charpin heeft mogelijk mede model gestaan.[3]
  • Jerom – Een ongelofelijk sterke man die de andere hoofdpersonen in moeilijke situaties dankzij zijn kracht steeds uit de problemen helpt. Hij komt oorspronkelijk uit de prehistorie, maar zat ingevroren totdat hij in de 17de eeuw door de Franse hertog Le Handru werd ontdooid. In zijn debuutverhaal uit 1953, De dolle musketiers, is hij een van de vijanden van Suske, Wiske, Lambik en Sidonia. Na tot het goede te zijn bekeerd, wordt hij met de teletijdmachine meegenomen naar de 20e eeuw. In Nederland heette hij aanvankelijk Jeroen of Jeroentje.
  • Professor Barabas – Een geleerde wiens merkwaardige uitvindingen in veel verhalen een belangrijke rol spelen. Zijn beroemdste en meest gebruikte uitvinding is de teletijdmachine. Hij is geniaal, maar ook, haast stereotiep, makkelijk verstrooid, en soms zeer idealistisch tot op het naïeve af.
  • Schanulleke – Een lappenpopje waar Wiske zielsveel van houdt. Aanvankelijk heette ze in België Schalulleke en in Nederland Schabolleke. Haar huidige naam kreeg ze in De schone slaper. In de meeste verhalen is ze slechts een rekwisiet, of heeft ze hooguit een sleutelrol als (lijdend) voorwerp. In sommige verhalen komt ze echter tot leven en gedraagt zich dan als een werkelijk personage.

Vaak terugkerende nevenpersonages

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Arthur – Een broer van Lambik die in de Afrikaanse jungle woont. Hij kan vliegen dankzij het blijvende effect van het sap van een bijzondere plant genaamd Selderum Aeroplanis. Arthur verscheen voor het eerst in De vliegende aap.
  • Krimson – De in de serie vaakst terugkerende en waarschijnlijk bekendste slechterik, die dan ook wel als de hoofdvijand van de hoofdpersonen wordt bestempeld. Desalniettemin maakte dit personage pas relatief laat zijn opwachting, in Het rijmende paard. Zijn ultieme doel is het verkrijgen van de wereldheerschappij. Krimsons vaste butler is Achiel. Daarnaast heeft hij nog allerlei andere helpers (die vaak per verhaal verschillen).
  • Jef Blaaskop – Een van de vaste bewoners van Amoras. Hij treedt voor het eerst op in Het eiland Amoras als een machtsbeluste schurk. In De stalen bloempot is hij bekeerd tot de goede kant en helpt dan Suske, Wiske en Lambik.
  • Savantas - Een kwaadaardige geleerde die zijn opwachting maakte in De sprietatoom, en daarna vanaf Amoris van Amoras weer in enkele verhalen opduikt.
  • Theofiel Boemerang – Een erg zakelijk ingestelde buurman van Lambik die iedereen allerlei dingen probeert aan te smeren. Hij verscheen voor het eerst in De Texasrakkers. Later ontpopt hij zich tot een meesteroplichter en maakt er een criminele carrière mee. Hij is getrouwd met Celestien.
  • Tobias – Een hond die Suske en Wiske geregeld bijstaat. Hij verscheen voor het eerst in Het hondenparadijs. Hij is getrouwd met Dolly, met wie hij diverse puppy's ter wereld bracht.
  • Sus Antigoon – Over-over-over-overgrootvader van Suske en tevens de ontdekker en stichter van de beschaving op Amoras. Hij verscheen voor het eerst in Het eiland Amoras.
  • Snoeffel & Gaffel – Twee schurken die niet terugdeinzen voor omkoperij. Ze verschenen voor het eerst in De gouden cirkel.
  • De Van Zwollems – Annemarie van Zwollem en haar geesteszieke vader verschenen voor het eerst in Het sprekende testament.
  • De Zwarte Madam – Een blonde heks die spreekt met een Frans accent. Ze verscheen voor het eerst in De zwarte madam.

Beginjaren (1944-1949)

[bewerken | brontekst bewerken]
De voormalige woning van Willy Vandersteen in Kalmthout

In de jaren 90 van de 20e eeuw is er een proefcover van Vandersteens eigen hand uit 1944 teruggevonden, voor een strip die De avonturen van Rikki en Pukki had moeten gaan heten (met als subtitel Rikki Speurder). Op deze cover is Wiske al te zien naast Rikki, al heeft ze hier nog niet haar huidige naam. Voor de uitgebeelde scène lijkt Vandersteen overduidelijk inspiratie te hebben geput uit De Zwarte Rotsen, een Kuifje-verhaal uit 1938 van Hergé. Deze laatste strip was in die tijd al zeer populair. Wellicht had Vandersteen oorspronkelijk het idee om zijn eigen strip veel meer op De avonturen van Kuifje te laten lijken, inclusief de kenmerkende "klare lijn". Uiteindelijk zou Suske en Wiske echter veel meer een kinderstrip worden met overwegend fantasy- en sprookjeselementen.[4]

Vandersteen maakte in de winter van 1944-45 de eerste schetsen voor een verhaal genaamd Rikki en Wiske (later hernoemd tot De avonturen van Rikki en Wiske). Hij legde deze schetsen voor aan twee directieleden van de Standaard Boekhandel, die een deel van het verhaal doorstuurden naar de redactie van De Nieuwe Standaard. Daarop besloten uitgever Tony Herbert en Marc Sleen na enkele maanden overleg om Vandersteens verhaal te publiceren.[5][6][7] Op 30 maart 1945 verscheen de allereerste aflevering van De avonturen van Rikki en Wiske in De Nieuwe Standaard. Er waren op dat moment drie hoofdpersonages: Sidonie, haar nichtje Wiske, en Wiskes oudere broer Rikki. Dit verhaal kwam een jaar later uit als het allereerste album in de toenmalige Vlaamse ongekleurde reeks. De verkoop liep in eerste instantie nog niet storm; na twee jaar waren er nog maar 7000 exemplaren verkocht.[8] In 1975 is het uiteindelijk ook verschenen in de Vierkleurenreeks, nu onder de titel Rikki en Wiske in Chocowakije.

Op 19 december 1945 ging in De Nieuwe Standaard het tweede verhaal van start, onder de titel Op het eiland Amoras (later gewijzigd in Het eiland Amoras). Dit verhaal verscheen in januari 1947 als album nummer 1 in de Vlaamse ongekleurde reeks, omdat het vorige verhaal hier nummer 0 had gekregen.[9] Het werd, in tegenstelling tot het vorige, wel meteen goed verkocht. In dit verhaal kwamen ten eerste Wiske en haar tante Sidonie terug. Verder was dit het eerste verhaal met een rol voor Suske, een jongen van ongeveer Wiskes eigen leeftijd met wie ze hier kennismaakt. Suske zou voortaan Rikki geheel vervangen als het andere hoofdpersonage.[8] Professor Barabas, die later een zeer vaak terugkerend bijpersonage zou worden, maakte in dit verhaal ook nog zijn opwachting, ter vervanging van ingenieur Wargaren uit het eerste verhaal. Vandersteen verklaarde later over Rikki dat dit geen volwaardige tegenspeler van de veel jongere Wiske was. Nog een andere belangrijke reden om Rikki te schrappen was dat het personage te veel op Kuifje leek.[10] Lambik, die hierna ook een van de hoofdpersonages zou worden, trad voor het eerst op in het derde verhaal De sprietatoom (1946). Jerom maakte zijn debuut ten slotte zes jaar later.

Al snel daarna begon men de strip ook in Nederland uit te brengen. Vanaf 8 maart 1946 verschenen de stripverhalen hier, aanvankelijk nog alleen als feuilleton in de krant De Stem.[11] Aanvankelijk werden de albums in Nederland uitgegeven in de Nederlandse ongekleurde reeks. Het taalgebruik was hier aangepast en ontdaan van alle typisch Vlaamse elementen, zodat het de Nederlandse lezers meer zou aanspreken. Iets later gingen de Vlaamse en Nederlandse tweekleurenreeks van start, totdat deze in 1967 uiteindelijk beide opgingen in de Vierkleurenreeks.

In het laatste nummer van Le Petit Monde in 1947 verscheen net de eerste aflevering van Le Singe Volant (De vliegende aap). Suske en Wiske heetten hier Riri et Miette (later zijn hun namen in het Frans "Bob et Bobette" geworden). Het was het begin van de publicatie van de serie in het Frans.

Gedurende pakweg de eerste vijf jaar dat de strip liep, verzorgde Vandersteen zowel het scenario als de tekeningen volledig en ook inktte hij de verhalen toen nog helemaal zelf. Het inkten was de eerste taak die hij zou overlaten aan een van zijn medewerkers; aan het einde van De mottenvanger (1949) nam François Joseph Herman de inktpen over. Laatstgenoemde en Vandersteen zouden hierna slechts drie jaar samenwerken.

In de periode 1948-1959 maakte Willy Vandersteen in totaal acht verhalen voor het striptijdschrift Kuifje, met een iets ander karakter dan de reguliere hoofdreeks. Van deze verhalen werden er in deze tijd zeven gepubliceerd in de zogenoemde blauwe reeks.

Groeiend succes van de strip (ca. 1950-1970)

[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf 1952 kreeg Vandersteen af en toe hulp van Karel Verschuere, die hem hielp bij het tekenen van De lachende wolf (1952) en zes jaar later bij een van de eerste kortere verhalen die buiten de reguliere hoofdreeks werden uitgebracht, De rammelende rally. Verschuere en Vandersteen werkten vooral veel samen bij andere bekende strips waarvan Vandersteen de hoofdauteur was.[12] Vanaf ca. 1953 raakte Karel Boumans steeds meer betrokken bij het inkten (voor het eerst in De lachende wolf).[13] In de loop der tijd zou deze taak door diverse medewerkers van Studio Vandersteen worden uitgevoerd. Eerst was dit Eduard De Rop, later diens zoon Eric. Eduard de Rop trad in 1959 in dienst bij Vandersteen. De eerste Suske en Wiske-verhalen waar De Rop een aandeel in had waren Het vliegende bed en Het gouden paard (het laatste verhaal uit de serie dat in Kuifje werd voorgepubliceerd).[14] In 1965 ging ook Eugeen Goossens aan de slag bij Studio Vandersteen. Vandersteen zelf was op dat moment bezig met de De apekermis. Een van Goossens' eerste bijdragen was aan Wattman (1967) en Jeromba de Griek (1967).

In maart 1959 voorzag N.V. Standaard Boekhandel de albums voor het eerst van een nieuwe lay-out. Er werd nu een rode steunkleur toegevoegd en de titelletters op de voorkaft waren vanaf nu in het geel. Ook de achterzijde werd vernieuwd. De eerste 66 albums zijn hierdoor oorspronkelijk ofwel alleen in zwart-wit, of met slechts één steunkleur verschenen. Het eerste verhaal dat al meteen in deze tweekleurenreeks verscheen was het reeds genoemde verhaal Het vliegende bed.[15] Enkele van de vóór 1959 verschenen verhalen die te veel afweken van de nieuwe stijl werden in deze periode voor de eerste keer hertekend en heruitgegeven, zoals De sprietatoom (vermoedelijk het enige verhaal in de serie dat opnieuw is getekend door Robert Vandersteen, Willy Vandersteens zoon[12]), De ringelingschat, De spokenjagers en De dolle musketiers.[16] In 1964 werden de Nederlandse en Vlaamse tweekleurenreeks samengevoegd tot de zogenoemde gezamenlijke tweekleurenreeks, die hierna drie jaar zou bestaan.

Vandersteen raakte gaandeweg steeds minder persoonlijk actief betrokken bij de totstandkoming van de strip. Vanaf ongeveer 1960 ging hij zich ook weer toeleggen op het maken van nieuwe stripseries, zoals Bessy en De Rode Ridder.

Alle verschillende reeksen waarin de verhalen waren tot dan toe verschenen, werden in 1967 samengevoegd tot één reeks die zo uniform mogelijk werd gemaakt. Deze nieuwe reeks albumuitgaven werd al snel bekend onder de naam Vierkleurenreeks, omdat er voortaan vier in plaats van twee steunkleuren werden gebruikt. Enkele al oudere verhalen die in de jaren daarvoor ook al in de gezamenlijke tweekleurenreeks opnieuw waren uitgekomen, hebben zodoende in totaal drie albumnummers gekregen.

Paul Geerts

Toen de eerdere verhalen in deze nieuwe reeks werden heruitgegeven, werden ook alle kafttekeningen vernieuwd. Het verhaal dat op 1 maart 1967 als eerste album meteen in deze nieuwe reeks uitkwam was De poenschepper; het kreeg albumnummer 67, omdat men de nummering van de gezamenlijke tweekleurenreeks – die bij 66 was geëindigd – liet doorlopen. In de jaren daarna zijn alle verhalen die na hun aanvankelijke publicatie in de kranten tot dan toe alleen in de ongekleurde reeksen en/of de tweekleurenreeksen waren verschenen, in de Vierkleurenreeks heruitgebracht.[17] De geheel hertekende versie van Het eiland Amoras werd in de Vierkleurenreeks als het eerste volgende verhaal heruitgebracht, en kreeg nu dus albumnummer 68. Vervolgens werd de volgorde waarin de verhalen in de Vierkleurenreeks werden hergepubliceerd echter geheel willekeurig.[b]

Tot de verhalen die bij de heruitgave ervan in de Vierkleurenreeks in hun geheel zijn hertekend behoren Het eiland Amoras, De vliegende aap, De koning drinkt, De witte uil, Lambiorix en De kleppende klipper. De meeste andere oudere verhalen zijn alleen maar deels hertekend, waarbij bijvoorbeeld alleen het "vulgaire" uiterlijk van de hoofdpersonages is aangepast. Enkele verhalen zijn bij de herpublicatie in de Vierkleurenreeks enkel ingekleurd terwijl er nagenoeg niets aan de oorspronkelijke tekeningen werd veranderd; dit laatste gebeurde bijvoorbeeld bij De stalen bloempot, De zwarte madam en De stierentemmer. In deze gevallen is bij de heruitgave in de rode reeks op de eerste pagina van het album de standaardmelding Op verzoek van velen heruitgegeven met de oorspronkelijke tekeningen van vele jaren geleden toegevoegd; in sommige gevallen is dit ook gedaan terwijl het verhaal in kwestie toch (gedeeltelijk) hertekend was.

De destijds bijna 30-jarige Paul Geerts meldde zich op 1 mei 1967 als nieuwe medewerker bij Studio Vandersteen. Hij werkte op dat moment als retoucheur.[18] Vanaf 2 januari 1968 was hij officieel aangenomen.[12] In eerste instantie hield Geerts zich alleen nog bezig met de productie van Wastl, een spin-off-reeks met Jerom in de hoofdrol voor lezers in Duitsland.[19] In 1969 vroeg Vandersteen hem om zich ook met de hoofdreeks Suske en Wiske te gaan bezighouden. Beide stripauteurs maakten hierna eerst nog enkele verhalen uit de serie gezamenlijk, voordat Geerts het uiteindelijk helemaal zou overnemen. De charmante koffiepot was het eerste verhaal in de Suske en Wiske-hoofdreeks dat werd geïnkt door Geerts, die dit onderdeel overnam van De Rop. In deze zelfde periode hertekende Geerts onder meer De koning drinkt en De witte uil volledig, met het oog op de heruitgave van deze verhalen in de Vierkleurenreeks.[20] Hierna zou evenwel nog heel lang uitsluitend Vandersteens naam als auteur in de albums blijven staan.

Vanaf 1970 was ook Robert Merhottein (de latere hoofdauteur van De Kiekeboes) gedurende een aantal jaar betrokken bij de strip.[12] In 1971 begon Rita Bernaers met het verzorgen van de inkleuring van de verhalen.[21]

25-jarig jubileum

[bewerken | brontekst bewerken]

Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de strip in 1970 werd er drie jaar later een jubileumboek uitgegeven, getiteld 25 jaar jubileum uitgave. Het was een gekartonneerde uitgave met een zilveren kaft. In dit album waren een biografie en bibliografie van Willy Vandersteen te lezen, alsook een heruitgave van de twee klassiekers De avonturen van Rikki en Wiske en Het Spaanse spook.

Voortzetting onder Paul Geerts

[bewerken | brontekst bewerken]
Vandersteen en Geerts samen bij de presentatie van Angst op de "Amsterdam", in 1985

Na De steensnoepers (1971) droeg Vandersteen het stokje als vaste hoofdredacteur van de strip definitief over aan Geerts. De gekke gokker (1971) was het eerste verhaal waarvan zowel het scenario als de tekeningen helemaal van de hand van Geerts waren, met enkele kleine aanpassingen door Vandersteen.[22] Het jaar daarop kreeg Geerts de volledige artistieke eindverantwoordelijkheid voor de hele strip, als Vandersteens eerste opvolger (Vandersteen zelf ging zich in die tijd helemaal toeleggen op het maken van Robert en Bertrand). Vandersteen stelde aan de voortzetting van de reeks door Geerts wel enkele strikte voorwaarden: de geest en filosofie die altijd al achter de verhalen schuilging moesten hetzelfde blijven, de karakters van de hoofdpersonages mochten niet veranderen en de verhalen moesten altijd in een positieve sfeer blijven eindigen.[20]

Desondanks bleef Vandersteen zelf ook in de tijd hierna in meer of mindere mate bij de productie van de strip betrokken. Hij werkte ook nog de scenario's van sommige nieuwe Suske en Wiske-verhalen uit, en in enkele gevallen leverde hij zelfs weer (een deel van) het tekenwerk af. Zo zijn de scenario's van De vinnige Viking (1976), Het Bretoense broertje (1983), De ruige regen (1985), De eenzame eenhoorn (1988) en als laatste De wervelende waterzak (1988) weer door Vandersteen geschreven. Van de laatstgenoemde drie verhalen nam Vandersteen ook het tekenwerk weer gedeeltelijk voor zijn eigen rekening,[23] voor de andere hiervoor genoemde verhalen verzorgde Geerts het tekenwerk.

Geerts bleef gedurende de hele jaren 70 en 80 de hoofdauteur en voornaamste tekenaar van de strip. De kwaliteit van de verhalen die hij afleverde wordt vrij uiteenlopend beoordeeld. Met name over de eerste paar verhalen die geheel van Geerts' hand waren, waren vaste lezers veelal wat minder enthousiast. Tot de verhalen van Geerts die door velen wel hoog worden gewaardeerd behoren met name De raap van Rubens (1977), Het drijvende dorp (1978), Het dreigende dinges (1985) en Angst op de "Amsterdam" (1985). Bij een podcast-stemming in 2025 werd het laatstgenoemde verhaal zelfs als favoriet uitgekozen.[24]

Vanaf 1973 ging op de Belgische BRT (nu VRT) en de Nederlandse TROS de Suske en Wiske-poppenserie van start (zie ook #Poppenseries). Zes verhalen die speciaal voor deze serie werden geschreven, zijn vervolgens door Geerts en De Rop omgewerkt tot stripverhalen en als zodanig in de reguliere hoofdreeks opgenomen.[12]

Vanaf De pompenplanters, uitgekomen in november 1979, werd De Rop als vaste inkter opgevolgd door Eugeen Goossens.[25]

Etalage boekwinkel Delft

In 1980 kwam Liliane Govers als nieuwe medewerkster in dienst bij Studio Vandersteen. Zij verzorgde vanaf dan de lettering van de verhalen en een deel van het inktwerk.[26] Vanaf 1984 verleende ook Eric de Rop − de zoon van Eduard de Rop − zijn medewerking aan de stripreeks, en twee jaar later werd hij de nieuwe vaste inkter. Het eerste verhaal dat Eric de Rop inktte was De bevende berken, een reclame-album dat niet in de reguliere reeks is verschenen.[21] Vanaf de jaren 80 zijn er gaandeweg meer van dergelijke verhalen buiten de reguliere hoofdreeks om uitgebracht in het kader van bijvoorbeeld reclamecampagnes. Een voorbeeld daarvan is Het gouden kuipje (1989). Andere kortere verhalen die buiten de hoofdreeks zijn uitgebracht zijn veelal educatief, zoals De tandentikkers (1985). Weer andere kortere verhalen – zoals Sprookjesnacht aan zee en Het onbekende eiland – verschenen in eerste instantie in de serie Plezier met Suske en Wiske en later als op zichzelf staand bundelalbum. Al deze verhalen zijn over het algemeen korter dan de reguliere albums uit de rode reeks. Enkele soms al veel oudere korte verhalen die eerder bijvoorbeeld in een vakantieboek of in één bepaald tijdschrift waren verschenen zijn in deze tijd alsnog in de rode reeks uitgekomen als onderdeel van een bundelalbum, zoals Het vliegende hart dat Willy Vandersteen al in 1952 voor De Bond had gemaakt.

In augustus 1990 overleed Willy Vandersteen. Op alle Suske en Wiske-albums is echter sindsdien zijn naam blijven staan, ongeacht of hijzelf aan het verhaal in kwestie daadwerkelijk enige inbreng heeft gehad. De naam van Geerts werd pas expliciet vooraan in de albums vermeld vanaf De krachtige krans (1988).[18] Vandersteen stelde bij testament opnieuw een aantal harde voorwaarden aan de verdere voortzetting van de reeks. Zo bleven seks en realistisch aandoend geweld taboe. De verhalen mochten enkel over drugs (zoals opium) gaan voor zover het doel was de schadelijkheid van deze middelen aan te tonen. Daarnaast mochten er geen hoofdpersonen bijkomen of verdwijnen. Ook mochten de vijf vaste hoofdpersonen en de het vaakst terugkerende bijpersonages (professor Barabas, Krimson, de Van Zwollems, ...) niet verouderen of anderszins veranderen, tenzij binnen het kader van een eenmalige verhaallijn.[c] Ook een aantal andere bestaande situaties mogen nooit veranderen; zo mogen Lambik en Sidonia bijvoorbeeld nooit huwen en/of kinderen krijgen.[d]

50-jarig jubileum

[bewerken | brontekst bewerken]

Ter gelegenheid van 50 jaar Suske en Wiske in 1995 verschenen er meerdere speciale uitgaven. De nieuwe albums uit dat jaar (De averechtse aap, De begeerde berg, De 7 schaken en De vonkende vuurman) zijn alle voorzien van een speciaal 50-jaar-logo. De Koninklijke Munt van België bracht een speciale herdenkingsmunt uit.

Inbreng en voortzetting door Marc Verhaegen (1988-2005)

[bewerken | brontekst bewerken]
Marc Verhaegen in 2000

In 1988 sloot Marc Verhaegen zich als nieuwe medewerker bij de Studio Vandersteen aan.[21] Verhaegen had op dat moment de taak een kortverhaal te maken dat als proloog kon dienen voor een reclame-uitgave van De schat van Beersel van Kredietbank. Dit moest tevens in de stijl van de blauwe reeks gebeuren. Vandersteen en Geerts besloten na het zien van dit verhaal om Verhaegen als nieuwe vaste medewerker aan de strip aan te nemen.[27]

Verhaegens eerste wapenfeit in de reguliere serie was het uitwerken van de tekeningen vanaf strook 179/180 in De speelgoedspiegel (1989).[28] Nadien werd Verhaegen ingezet bij de productie van steeds meer nieuwe Suske en Wiske-verhalen. Aanvankelijk bleef zijn inbreng nog beperkt tot het uitwerken van de tekeningen. De goalgetter (1990) was het eerste verhaal in de Suske en Wiske-hoofdreeks waarin zowel het basisidee als de tekeningen goeddeels van Verhaegen kwamen. Het standaard aantal pagina's per album werd in deze periode teruggebracht van 56 naar 48. In De krakende carcas (1992) nam Verhaegen opnieuw zowel het scenario als de tekeningen op zich.

Gedurende de jaren 90 wisselden Verhaegen en Geerts elkaar af voor het uitwerken van de verhalen. Soms werkten ze ook samen aan één verhaal. Omdat Geerts nog steeds de officiële tekenaar was, bleef tot eind 2001 Verhaegens naam onvermeld bij het uitbrengen van de albums. Steeds stond er 'scenario en tekeningen: Paul Geerts', ook al betrof het een verhaal van Verhaegen. Nadat Geerts in 1994 was geopereerd aan een hersentumor, wilde hij het schrijven van de scenario's weer helemaal zelf oppakken; de scenario's die Verhaegen inmiddels maakte werden zelfs voor Suske en Wiske vaak te absurdistisch gevonden.[12]

Het laatste verhaal dat nog volledig door Geerts gemaakt werd, was Het enge eiland (1999). In 2002 gaf Geerts ook officieel het stokje door aan Verhaegen, die reeds alle nieuwe verhalen op zich nam sinds het verschijnen van Het verdronken land (1999). Vanaf dat verhaal werden ook het uiterlijk en de kleding van de vaste personages aangepast en gemoderniseerd; een deel van deze wijzigingen is enkele jaren later weer teruggedraaid.[12] Pas vanaf de officiële overname in 2002 werd Verhaegens naam in de albums vermeld in de plaats van die van Geerts. In De blote Belg (2001) werden Geerts en Verhaegen samen vermeld.

Op 25 februari 2005 werd Verhaegen per direct aan de kant geschoven na een dispuut met de rest van Studio Vandersteen. Het laatste verhaal van zijn hand was De formidabele fantast.[29] De rechtstreekse aanleiding was dat hij het plan had opgevat om Auschwitz als thema in een verhaal te verwerken. Dit viel bij de overige medewerkers in slechte aarde.[12][30] In 2016 onthulde Geerts tijdens een interview dat de samenwerking met Verhaegen vaak erg moeizaam was verlopen.[31]

60-jarig jubileum

[bewerken | brontekst bewerken]

Op 19 december 2005 was het precies 60 jaar geleden dat Op het eiland Amoras als vervolgstripverhaal van start ging, dat vanwege de introductie van Suske veelal wordt gezien als het eerste echte verhaal uit de serie. De nieuwe albumuitgaven uit 2005 (De flierende fluiter, De formidabele fantast, Het slapende goud en De kaduke klonen) werden bij deze gelegenheid voorzien van een speciaal 60-jaar-logo. Op de voornoemde datum verscheen een trilogie, getiteld Vrienden voor het leven, met hierin een herdruk van drie verhalen waarin het draait om vriendschap: Op het eiland Amoras, De ringelingschat en De sterrenplukkers. In het Stedelijk Museum te Zwolle was er een speciale tentoonstelling. Op 24 juli 2005 werd deze 60ste verjaardag van de serie gevierd in Bokrijk, waar alle personages present waren. Er werd een speciale website geopend. Ook werd er een jubileumalbum uitgebracht, Suske en Wiske 60 jaar!, met daarin naast de geschiedenis van de strip interviews met de diverse tekenaars en het korte verhaal Het mopperende masker.

Overname door Studio Vandersteen (2005-nu)

[bewerken | brontekst bewerken]
Peter van Gucht in 2023

Sinds Verhaegen niet meer bij de productie van de verhalen is betrokken, wordt het werk in teamverband gedaan door de medewerkers van Studio Vandersteen. Peter Van Gucht als hoofdscenarist en Luc Morjaeu stonden hierna gedurende bijna 20 jaar aan het hoofd van het tekenteam. Van Gucht had zich daarvoor reeds bewezen als scenarist van diverse kortverhalen. Hij verzorgde ook al het scenario van De flierende fluiter, waar Verhaegen nog de tekenaar van was. Morjaeu daarentegen kwam nieuw over naar Studio Vandersteen nadat Verhaegen vertrokken was. Zo ontstond een tekenteam onder leiding van Morjaeu (met Dirk Stallaert, Peter Quirijnen, Charel Cambré en Eric De Rop) en een scenarioteam onder leiding van Van Gucht (met Bruno De Roover en Erik Meynen).[32]

De standaardomslag van de albums in de hoofdreeks ging in de zomer van 2007 opnieuw vrij drastisch op de schop. Studio Vandersteen nam afstand van de aloude rode kaft met in het midden een tekening die het hoofdthema van het verhaal uitbeeldt. Vanaf nu vulde de tekening de hele voorkant. Dit werd voor het eerst gedaan bij de albumuitgave van De curieuze neuzen. Om de lezers te laten wennen aan de nieuwe vormgeving, koos de studio voor een mapje dat om het album werd geschoven. Het mapje zelf heette De magnifieke metamorfose en hierop was de traditionele rode kleur nog wel aanwezig.[33] Daarnaast werden ook de afbeeldingen zelf van alle individuele albums door Morjaeu hertekend in de nu gangbare tekenstijl. De metamorfose had tot gevolg dat alle verhalen van vóór 1967, waarvan de kaft bij de overgang van de tweekleuren- naar de Vierkleurenreeks ook al opnieuw was getekend, nu voor de tweede keer van een hertekende kaft werden voorzien. In 2008 kwamen alle albums met de nieuwe cover op de markt.[34]

Alle nieuwe albumuitgaven uit 2010 (De rillende rots, De gamegoeroe, De watersater, De halve Havelaar en De stuivende stad) werden voorzien van een speciaal 65 jaar-logo.

70-jarig jubileum

[bewerken | brontekst bewerken]

Ter gelegenheid van 70 jaar Suske en Wiske schreven zes bekende Vlamingen in 2015 hun eigen Suske en Wiske-verhaal.

Nr Titel Scenario Tekeningen
1De spitse bergenTom WaesCharel Cambré
2De verwoede verzamelaarJan VerheyenJan Bosschaert
3Het vredeskruidPieter AspeKim Duchateau
4Het naderende noodlotStaf CoppensIvan Adriaensens
5De groffe grapjasAlex AgnewKris Martens
6De BarabassSiska SchoetersIlah

Vanaf De planeetvreter (2017) worden de albums standaard in A4-formaat uitgegeven. Nog een andere verregaande wijziging was dat vanaf dit verhaal op de achterzijde van elk album pas werd begonnen met het overzicht vanaf albumnummer 300; op de achterkant van De drakenprinter staat daarentegen wel weer het volledige overzicht vanaf De poenschepper.

Hiermee kwam er een eind aan de traditionele rode reeks; de oudere verhalen tot en met albumnummer 299 werden heruitgegeven in de reeks Suske en Wiske Classics.[35]

Stopzetting publicatie in De Standaard

[bewerken | brontekst bewerken]

In december 2022 stopte De Standaard na 77 jaar met het publiceren van de strip.[36]

Eind 2023 nam Morjaeu na 18 jaar officieel afscheid als hoofdtekenaar. In augustus 2025 verscheen nog wel De anonieme alchemist, dat opnieuw van Morjaeus hand was. Dit was vooral bedoeld als hommage aan de oudste verhalen uit de serie.[37]

Verdere inkorting standaardpagina's

[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf Klaartje Wakker (in albumvorm uitgebracht op 17 april 2024) is het aantal pagina's per album teruggebracht van 48 naar 40.[38]

80-jarig jubileum

[bewerken | brontekst bewerken]
Het Museum of Comic Art organiseerde in 2025 de tentoonstelling Suske en Wiske 80 - A Studio of Heroes.

In het kader van het 80-jarig jubileum van de strip organiseerde het Nederlandse Museum of Comic Art in 2025 de tentoonstelling Suske en Wiske 80, A Studio of Heroes.

Het succes van de strip nader verklaard

[bewerken | brontekst bewerken]

Een factor die in zeer hoge mate heeft bijgedragen aan het enorme succes dat de stripreeks werd, was Vandersteens opmerkelijke verteltalent. Hij wist sfeerrijke, fantasievolle, spannende en mysterieuze plots van zeer uiteenlopende herkomst te bedenken (zie ook #Inspiratiebronnen). Vandersteen doorspekte de verhalen met humor die varieerde van absurde grappen tot running gags en van woordspelingen tot moppenboekachtige grappen. Soms werden er letterlijk moppen geciteerd. Dankzij de manier waarop de strip steeds in korte stukjes van enkele plaatjes in de kranten verscheen kon hij bovendien op grote schaal gebruikmaken van cliffhangers.[e] Het in de beginjaren van de strip regelmatig verwijzen naar de actualiteit was daarnaast nog een andere formule die in de publicaties in de kranten op dat moment perfect werkte.

Stripkenner Han Peekel (bekend van onder meer het tv-programma Wordt Vervolgd) zou veel later in een interview verklaren dat mede het feit dat de strips na de aanvankelijke publicaties in de kranten ook uitkwamen in albumvorm, de populariteit sterk bevorderde.[39] De albums waren betaalbaar, ook in de toenmalige crisisjaren na de Tweede Wereldoorlog. De albums, waarvan er jaarlijks vier verschenen, werden populair bij verzamelaars. Peekel stelde voorts dat ook de "thuissituatie" van het gezin daaraan bijdroeg.[39] Op het eerste gezicht oogt deze vrij normaal, maar bij nader inzien zijn er geen vader en moeder aanwezig; in plaats daarvan worden de twee kinderen opgevoed door iemand die slechts de tante van een van hen is. Volgens Peekel was dit "een meesterzet", omdat een standaard vader-en-moedersituatie de verhaallijn hier saai zou hebben gemaakt.

Nog een belangrijke factor was dat er op het moment dat Suske en Wiske begon, nog weinig concurrentie was van andere typisch Vlaamse strips. Ten slotte bestond er in de eerste jaren na de oorlog bij veel lezers de sterke behoefte aan wat luchtige en volkse lectuur, in plaats van zware verhalen die in de jaren daarvoor voor velen toch al de realiteit waren geweest.[6] De periode waarin Vandersteen zelf het meest bij de strip betrokken was (jaren 40-50) heeft uiteindelijk ook de meeste verhalen opgeleverd die echte klassiekers zijn geworden.

Belangrijkste verhaalthema's

[bewerken | brontekst bewerken]

Inspiratiebronnen

[bewerken | brontekst bewerken]

Veel van de plots zijn gebaseerd op historische feiten. Voorts is er inspiratie geput uit allerlei grote literaire werken, bekende sprookjes, mythen en soms ook de Bijbel. In de periode 1949-1953 haalde Vandersteen zijn inspiratie vooral uit de klassieke mythologie, diverse bekende sagen en bekende romans. Zo zijn in De mottenvanger bijvoorbeeld veel elementen uit de klassieke Griekse mythologie verwerkt. Het bevroren vuur bevat overwegend sprookjeselementen en speelt zich daarnaast af in het tijdperk van de Noormannen. De ringelingschat is mede gebaseerd op Wagners Der Ring des Nibelungen. Het al genoemde verhaal De dolle musketiers is gebaseerd op Alexandre Dumas' roman De drie musketiers uit 1844.

Tussen 1953 en 1959 putte Vandersteen voor de verhalen nauwelijks uit klassieke literatuur. Een uitzondering hierop vormt De straatridder, dat is gebaseerd op de klassieker Don Quichot van Miguel de Cervantes. In de latere verhalen komen elementen uit klassieke literatuur weer af en toe terug en in een enkel geval ook de Bijbel. Zo is De junglebloem (1969) een gedeeltelijke hervertelling van The Jungle Book van Rudyard Kipling. De kale kapper (1972) bevat elementen van het Bijbelse verhaal van Simson. Het dreigende dinges is mede gebaseerd op Een hond van Vlaanderen, een roman van Marie Louise de la Ramée.

Vooral vanaf de jaren 60 werd er in de verhalen ook geregeld ingehaakt op populaire zaken en cult.[f] Allerlei bekende films en televisieseries hebben door de jaren heen een inspiratiebron gevormd voor bepaalde Suske en Wiske-verhalen. Dit begon met verhalen als De Texasrakkers (1959) dat was gebaseerd op de Tales of the Texas Rangers, en enkele jaren later Wattman (1967) en het reeds genoemde De junglebloem (1969), duidelijke allusies op respectievelijk de destijds zeer populaire superheldenstrip Batman en Disneys Jungle Boek. Jeromba de Griek (1966) werd geïnspireerd door de film Zorba de Griek. Een van de verhalen van Paul Geerts, Robotkop (1996), was sterk geïnspireerd door Paul Verhoevens negen jaar daarvoor uitgekomen actiefilm RoboCop. Het beeldje van Manneken Pis heeft een belangrijke rol in onder meer Het kregelige ketje.

Bekende kunstenaars en/of hun kunstwerken komen geregeld aan bod, waarbij de hoofdpersonages dan vaak naar het verleden reizen waar ze hen persoonlijk ontmoeten: Peter Paul Rubens (De raap van Rubens), Jheronimus Bosch (De bibberende Bosch), Mozart (Het wondere Wolfje), Rembrandt van Rijn (De nachtwachtbrigade), Antoon van Dyck (Het rijmende paard), Vincent van Gogh (De kleurenkladder), M.C. Escher, Magritte en Salvador Dali (De kunstkraker). Als inspiratie voor De koning drinkt en De dulle griet dienden schilderijen met dezelfde naam van Jacob Jordaens en Pieter Breughel de Oude.

De meeste Suske en Wiske-verhalen spelen zich in het heden en op een duidelijk omschreven plaats af. Zo zijn heel wat avonturen gesitueerd in het thuisland van de strip (en van Vandersteen): Vlaanderen, meer specifiek de Kempen. Sommige verhalen spelen zich gedeeltelijk of helemaal af in Nederland (De sprietatoom, De bokkerijders, De Efteling-elfjes, De woelige wadden, Volle maan, Sprookjesnacht aan zee). Verder komen de hoofdpersonen geregeld op allerlei andere plaatsen binnen en buiten Europa. Soms reizen ze naar het Verre Oosten, zo onder meer in een aantal verhalen die eind jaren 50 en begin jaren 60 uitkwamen (De stemmenrover, De gouden cirkel, De wilde weldoener, De sissende sampan). Vandersteen verwerkte in deze verhalen zijn eigen reiservaringen.[40] De vrienden bezoeken in sommige verhalen een echt bestaand pretpark: het Bellewaerde Park in De kattige kat (1985), de Efteling in De Efteling-elfjes (1977) en Fata Morgana (1988), Tivoli in De lieve Lilleham (1984) en Phantasialand in De Rookburgh Rookies (2023).

Anderzijds duiken er heel geregeld fictieve landen en plaatsen op (Chocowakije, Amoras, Bazaria, Kommersbonten). Het eiland Amoras is ogenschijnlijk een fictieve eilandstaat, maar staat in feite model voor Antwerpen omstreeks de 16e eeuw.

In sommige verhalen komen de hoofdpersonen in contact met buitenaards leven, dat al dan niet zichtbaar in beeld komt. Een van de eerste verhalen met dit thema was De gezanten van Mars (1956). Het werd met name een vaker gebruikt thema vanaf het begin van de jaren 60, de tijd dat ruimtevaart zeer actueel was en de eerste echte ruimtereizen een feit waren. Verhalen uit deze tijd die hiervan getuigen zijn met name De wolkeneters (1961), De kwakstralen (1962) en Het zoemende ei (1964). Latere verhalen die zich afspelen in een vergelijkbare sfeer zijn bijvoorbeeld De minilotten van Kokonera (1976), De amoureuze amazone (1978) en De eenzame eenhoorn (1987) De stervende ster (1993). Deze laatste vier verhalen spelen zich gedeeltelijk af op een fictieve exoplaneet, waar in oudere verhalen (zoals De mottenvanger (1949) en De wolkeneters) nog niet echt sprake van is.

Maatschappelijke thema's

[bewerken | brontekst bewerken]

Eigentijdse zaken worden af en toe als thema in de plots verwerkt, al was dit iets wat vooral de beginjaren van de strip kenmerkte. Naarmate de stripreeks ook in Nederland steeds bekender en populairder werd, werd de oorspronkelijke focus op Vlaanderen grotendeels losgelaten.

Vaak werd er gewerkt met stereotiepe grappen rond de "luie ambtenaar", "inhalige belastinginspecteur", de "leugenachtige politicus", de "domme politieagent" en de hippie die de reputatie heeft zich niet te wassen. Waarden, normen en deugden waren al vanaf het allereerste begin aanwezig, en dit is altijd zo gebleven.

Hoewel religie meestal niet het echte hoofdthema is, speelt het wel heel geregeld een rol, vooral het christendom. In De stalen bloempot staat de bouw van een kathedraal (die er uiteindelijk inderdaad komt) centraal. In Het zingende nijlpaard blijkt voor het eerst dat Lambik katholiek is opgevoed.[41] Ook verhalen als De bokkerijders, De poenschepper en Het dreigende dinges bevatten duidelijk christelijke verwijzingen. In De kale kapper en De adellijke ark (1979) wordt verwezen naar verhalen uit het Oude Testament. In De wilde weldoener (1962) speelt het hindoeïsme zijdelings een rol en in De parel in de lotusbloem (1987) staat naast het hindoeïsme ook het boeddhisme centraal. Religie is eveneens een centraal thema in de drie opeenvolgende verhalen De fleurige Floriade, Heilig Bloed en In de ban van de Milt uit 2002.

Een groot aantal van de verhalen speelt zich af in het verleden. Ook de gebeurtenissen die hier worden beschreven hebben vaak geheel of gedeeltelijk echt plaatsgehad. Daarbij is de strip zeker niet alleen maar lovend over de geschiedenis. Zwarte bladzijden zoals de Tachtigjarige Oorlog (Het Spaanse Spook), kinderarbeid (De hellegathonden) en onderdrukking van het gewone volk (De gladde glipper, De ringelingschat, Het geheim der gladiatoren, Het drijvende dorp, De eenzame eenhoorn...) worden net zo goed aangekaart. Ook De mysterieuze mijn gaat over historische misstanden.

Enkele andere verhalen zijn juist futuristisch van aard, zoals het al genoemde verhaal De wolkeneters en Tedere Tronica. Ook de fictieve uitvindingen passen in dit rijtje.

Folklore vormt een andere belangrijke inspiratiebron voor een deel van de verhalen: Het monster van Loch Ness, De krachtige krans, Het geheim van de Kalmthoutse heide, De jolige joffer en Het witte wief zijn typische voorbeelden. Figuren als de zwarte madam, Kludde en Lange Wapper komen rechtstreeks uit de Vlaamse folklore. Het verhaal van het Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen wordt gebruikt in Het ros Bazhaar.

Veel verhalen beginnen met een zeer alledaagse situatie, vaak bij een van de hoofdpersonen thuis of ergens midden op straat. Vervolgens monden de gebeurtenissen uit in veel meer fantasierijke tot ronduit absurde plots.

Magie is een van de belangrijke vaste verhaalelementen. Heel geregeld duiken er spoken, tovenaars, heksen, fabeldieren zoals draken, duivels, legendes en betoverde, vaak sprekende dieren op in de verhalen. Ook al dan niet toevallig gevonden magische voorwerpen spelen soms een rol.

Al vanaf het allereerste begin was ook tijdreizen een belangrijk thema in de verhalen, met name naar een bepaalde periode in het verleden. Vooral in de verhalen uit de jaren 50 komen de hoofdpersonen op diverse magische manieren in het verleden terecht. Zo gebruikt een druïde in Lambiorix (1950) een magische urn om hen naar Caesars tijd te halen, in Het Spaanse spook (1950) stappen ze in een schilderij naar de zestiende eeuw, in De ringelingschat (1951) geraken ze in het jaar 1100 na uit een zilveren hoorn gedronken te hebben (en is het Vadertje Tijd die hen terughaalt). In de De Tartaarse helm en De schat van Beersel (beide in 1953 uitgebracht in de blauwe reeks) worden Suske, Wiske en Lambik onder hypnose naar de dertiende en vijftiende eeuw gebracht en weer teruggehaald. In de wat latere verhalen wordt hiervoor meestal de teletijdmachine van professor Barabas gebruikt. Ook dan komen de hoofdpersonen echter soms ook nog op andere manieren in het verleden terecht.

Fictieve uitvindingen

[bewerken | brontekst bewerken]

Professor Barabas heeft met zijn vele uitvindingen een belangrijke rol in veel verhalen. De beroemdste en meest gebruikte is de hiervoor genoemde teletijdmachine, die al in Het eiland Amoras (1946) opduikt, maar dan nog slechts dient om beelden uit het verleden te halen. De eerste maal dat ze daadwerkelijk wordt gebruikt om de hoofdpersonages naar het verleden te doen reizen is in De tuftuf-club (1951). In De duistere diamant (1958) komt de teletijdmachine ook voor, maar de hoofdpersonen reizen hier terug naar het heden met behulp van een magische armband.[42]

Andere bekende uitvindingen die geregeld in de verhalen terugkomen:

  • Vitamitje – een klein autootje waar Suske en Wiske soms mee rondtoeren, gebruikt menselijk voedsel als brandstof
  • de Gyronef – een helikopter
  • de Terranef, ook wel 'ondergronder' genoemd – een voertuig waarmee men ondergronds kan reizen; er is een uitvoering met een diamantenschijf (De knokkersburcht) en verschillende versies die met een steekvlam werken (De groene splinter)
  • de Klankentapper – een apparaat dat geluid van bijvoorbeeld planten omzet in taal
  • de Ruimtekruiser – een ruimteschip waarmee men de ruimte in kan reizen
  • de Teletransfor – een apparaat waarmee beelden van schilderijen tot leven kunnen komen
  • de IJzeren Schelvis – een bathyscaaf
  • de Stalen Mol – een soort tank die zich, door middel van een krachtige vlam, door de hardste rotslagen kan boren

Overige vaste formules

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Op het laatste plaatje van de meeste verhalen is een knipogende Wiske te zien, met daaronder "Einde". Heel af en toe is niet Wiske maar een ander personage hier te zien, bijvoorbeeld een in dat verhaal voorkomende bijfiguur.
  • Met name Vandersteen verving soms hele plaatjes door enkel een stuk tekst, waarin de gebeurtenissen die zich tussen het laatste plaatje ervoor en het eerste erna afspelen worden beschreven.
  • Een grap die in de strip zo nu en dan terugkomt is het 'doorbreken van de vierde wand' of 'vierde muur'. Dit wil zeggen dat de hoofdpersonages zich op zo'n moment ogenschijnlijk zelf bewust zijn van het feit dat ze in een strip zitten, waarin ze getekend en volledig aangestuurd worden. Vandersteen tekende zichzelf ook een paar keer in de verhalen, als degene die van bovenaf moet ingrijpen om een situatie "op te lossen".[g]
  • Een motief dat vooral Vandersteen zelf heel geregeld gebruikte is de aanwezigheid van een geheimzinnige, maar in het verhaal belangrijke bijfiguur wiens gezicht gedurende een groot deel van het verhaal buiten beeld blijft, bijvoorbeeld doordat diegene steeds een kap of mantel draagt. Pas aan het eind wordt diens identiteit vrijgegeven..[43][44] In enkele verhalen blijkt de onbekende dan gewoon een van de hoofdpersonen te zijn.[h]

Evolutie van de strip

[bewerken | brontekst bewerken]

Hoewel Vandersteen zelf geen uitgesproken flamingant beweerde te zijn, stak er soms een duidelijk pro-Vlaams karakter aan zijn personages of in de verwijzingen doorheen het verhaal. Met name De koning drinkt (1947), De stalen bloempot en Lambiorix (beide uit 1950), bevatten uitdrukkelijke verwijzingen naar de zogenoemde Koningskwestie. De iets latere verhalen uit de jaren 60 en 70 bevatten geregeld verwijzingen naar de hippiecultuur van dat moment en de Koude Oorlog. Naarmate de strip langer liep en de verhalen gericht werden op het hele Nederlandse taalgebied, verdween dit aspect steeds meer naar de achtergrond. In de meeste latere albumuitgaven van de oudste verhalen zijn de verwijzingen naar de vooral Vlaamse actualiteit van dat moment uiteindelijk helemaal weggelaten, aangezien ze de lezers niets meer zouden zeggen.

Anderzijds heeft de strip altijd een duidelijk maatschappijkritische ondertoon behouden. Normen en waarden werden gaandeweg steeds nadrukkelijker in een plot verwerkt. Vanaf de jaren 70 kwam de nadruk bovendien steeds meer te liggen op maatschappelijke en sociale kwesties. Zaken als milieuverontreiniging en -activisme, generatieconflicten en opvoedingsproblemen komen vanaf deze tijd duidelijk aan bod, evenals het welzijn van dieren (De stierentemmer) en bedreigde planten en dieren in sommige verhalen (De boze boomzalver, De rinoramp). De grootschalige ellende die elke oorlog met zich meebrengt was al vrijwel vanaf het begin een belangrijk thema, zij het dat hier vaak op een ludieke (maar niettemin duidelijke) manier naar wordt verwezen; ook het gevaar van kernoorlog komt een paar keer aan bod (bijvoorbeeld in De speelgoedzaaier). Tijdens de jaren 90 keerde het politieke element weer af en toe terug, bijvoorbeeld in De koeiencommissie en De rebelse Reinaert. De apartheid wordt aan de kaak gesteld in Kaapse kaalkoppen.

In de verhalen wordt geregeld de boodschap uitgedragen dat de rijke westerling beter hulp kan bieden aan de allerarmsten op de wereld, in plaats van geld te verdienen met de wapenhandel voor bloedige oorlogen. De vrienden zijn soms kritisch over de verkilling en verzuring van de maatschappij, bijvoorbeeld in De Krimson-crisis.

Vanaf midden jaren 50 werd er in de verhaaltitels steeds vaker alliteratie toegepast. Over het algemeen is dit in de vorm van een bijvoeglijk naamwoord of bijvoeglijk gebruikt deelwoord, gevolgd door een zelfstandig naamwoord of eigennaam. Dit begon met titels als De kleppende klipper, De snorrende snor, De duistere diamant, De zwarte zwaan, De zingende zwammen, De wilde weldoener, De sissende sampan, De toornige tjiftjaf, Het kregelige ketje, De koddige kater enzovoort.[i] Dit procedé wordt nog steeds soms toegepast bij nieuwe verhalen, hoewel minder vaak dan voorheen.

Een ander procedé dat vooral tot en met de jaren 60 gebruikelijk was en daarna nu en dan terugkwam, zijn titels bestaande uit van een werkwoord afgeleide samenstellingen op -er die iets over het verhaal in kwestie zeiden (De speelgoedzaaier, De spokenjagers, De stemmenrover, De windmakers ...).

In de beginjaren, toen de strip nog veel volkser van aard was, waren de verhalen nog geheel in het Antwerps, Vandersteens eigen dialect. In 1963 was de Nederlandse markt inmiddels zeer belangrijk geworden, en de streektaal moest vanaf dat moment definitief het veld ruimen voor het Standaardnederlands, zodat er geen aparte versies voor Vlaanderen en Nederland meer gemaakt hoefden te worden. De nerveuze Nerviërs was het eerste verhaal dat al meteen in het Standaardnederlands verscheen.[45]

Tekenstijl en inkleuring

[bewerken | brontekst bewerken]

De basistekenstijl is in de loop der jaren een aantal keer sterk veranderd. De voornaamste reden is dat er tot nu toe zeker zes hoofdtekenaars – Vandersteen, Geerts, Verhaegen, Morjaeu, Van Gucht, Schoonis – met de serie bezig zijn geweest, terwijl zij bovendien binnen hun eigen stijl wat varieerden en afwisselend hulp kregen van anderen. Vandersteen had, toen zijn strip eenmaal veel bekendheid had gekregen, zelf zijn oorspronkelijke tekenstijl al vrij drastisch aangepast, onder meer door de personages een veel minder volks uiterlijk te geven. Vanaf ongeveer begin jaren 60 werd er een nieuwe, aanzienlijk strakkere tekenstijl gehanteerd, die onder de regie van Geerts werd voortgezet tot eind jaren 80. Toen Verhaegen de strip voorlopig overnam voerde hij zijn eigen tekenstijl door, die weer vrij sterk afweek van die van Geerts.[46]

Gaandeweg werd de reeks getekend met de typische kenmerken van de klare lijn. De oorspronkelijke tekenstijl van Vandersteen was daarentegen veel volkser en losser uit de pols. Zo had Wiske in de allereerste verhalen nog een peervormig hoofdje, dat later in een ei is veranderd. Tante Sidonia droeg in het begin een klein zwart hoedje met spelden.[47] Ook Suske en Lambik hadden in de eerste paar verhalen waarin ze meededen nog een heel ander uiterlijk; zo ziet Suske er in de eerste paar verhalen waarin hij meedoet nog uit als een onbeschaafde woesteling, waarna zijn uiterlijk volkomen is gladgestreken. Lambik had in zijn eerste paar verhalen een wat gerimpelder gezicht, iets meer haar en ook was zijn hoofd nog niet bolvormig. Met name het hoofd en aapachtige voorkomen van Jerom in de eerste paar verhalen waarin hij optrad, werden later geretoucheerd tot de latere, "beschaafde" versie. Ook het gezicht van Sidonia is bij de latere heruitgaven in de Vierkleurenreeks veelal strakker en vastomlijnder gemaakt, in overeenstemming met de inmiddels gangbaar geworden tekenstijl.

In mei 2017 werd er weer een nieuwe make-over doorgevoerd: vanaf De planeetvreter kregen Suske en Wiske − zoals Studio Vandersteen het noemde − een eigentijdsere vorm. Het tweetal kreeg een aangepaste haardracht. Wiske kreeg verder borsten, net als Sidonia. Reden voor al deze aanpassingen waren de dalende verkoopcijfers. Volgens Studio Vandersteen kwamen de tekeningen daardoor beter tot hun recht.[48][49]

Kleding van de hoofdpersonages

[bewerken | brontekst bewerken]

In de jaren 70 droegen Suske en Wiske hoofdzakelijk bruine olifantenpijpenbroeken, maar in de jaren 2000 werd tevens op de albumachterkanten hun traditionele kledij aangepast. In Amber (1999) was Wiskes traditionele witte jurkje plotseling vervangen door geheel eigentijdse kleding: een topje en minirok (haar bijbehorende kapsel was nu een hanenkam). Ook de kleding van Suske was in dit verhaal sterk aangepast, zo had hij zijn vertrouwde zwarte broek nu verruild voor een legerbroek. Toen Wiske voor het verhaal Big Mother ook nog een naveltruitje en een zwarte minirok kreeg, kwamen er luide protesten van de vaste lezers. Na De koeiencommissie (december 2001) besloten de tekenaars om hieraan gehoor te geven. Vanaf De blote Belg (2002) droeg Wiske weer zoals vanouds een witte jurk, maar nu een zonder mouwen. In De primitieve paljassen (2006) kregen Suske en Wiske uiteindelijk hun traditionele kleding weer bijna helemaal terug. Wiskes jurk had opnieuw mouwen, hoewel iets korter dan voorheen.[50]

Bij een nieuwe make-over in 2017 werd onder meer de kleding van de hoofdpersonages opnieuw aangepast. Vanaf De planeetvreter is het rode shirt van Suske vervangen door een wit shirt met daaroverheen een hoodie met capuchon. Ook draagt hij nu een skinny jeans en gympen. Wiskes jurk is strakker gesneden en ze draagt laarsjes.[51][52][53]

Opschuivende tijdlijn

[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf de jaren 50 begon Vandersteen steeds meer aandacht te besteden aan het nauwkeurig weergeven van allerlei achtergronddetails in de verhalen, zoals meubilair en huishoudelijke apparaten. Sindsdien zijn de verhalen altijd met hun tijd blijven meegaan; zo kwamen er steeds meer elektrische apparaten en ook het straatbeeld en allerlei andere zaken zijn voortdurend gemoderniseerd.[44]

De strips zijn over het algemeen terughoudend over moderne uitvindingen. In enkele verhalen uit de jaren 50 bijvoorbeeld wordt televisiekijken als tijdverspilling gezien. Hoewel de vrienden in de nieuwere verhalen gebruikmaken van eigentijdse communicatiemiddelen zoals het internet en gsm's, blijven ze in bepaalde opzichten toch kritisch. Zo wordt in De koeiencommissie de moderne vleesindustrie bekeken, in De sinistere site en De kaduke klonen komen respectievelijk de gevaren van het internet en de kloontechniek aan bod.

Eind jaren 90 gaven de erven Vandersteen Paul Geerts en Marc Verhaegen opdracht om de verhalen te moderniseren. Zodoende werden het taalgebruik en de kledij van de figuren vrij grondig aangepast, terwijl ook nieuwe technologische hulpmiddelen − zoals de mobiele telefoon en de computer − nu een belangrijke rol kregen. In de Suske en Wiske-verhalen van na de eeuwwisseling wordt op grote schaal gebruikgemaakt van internet.

Kritiek op de evolutie

[bewerken | brontekst bewerken]

Zowel de tekenstijl als de algehele vertelsfeer zijn dus in de loop der tijd steeds drastischer gaan afwijken van de verhalen uit de beginjaren. Daarnaast zijn veel grappen in latere verhalen vaak opnieuw gebruikt. Veel vaste lezers zijn van mening dat de reeks hierdoor gaandeweg veel van haar oorspronkelijke humor en spanning heeft verloren, wat nog eens zou zijn versterkt nadat Vandersteen de regie over de strip begin jaren 70 definitief had overgedragen. Over wanneer de eerste terugloop in kwaliteit begon, verschillen de meningen; volgens sommigen zou dit omstreeks het eind van de jaren 50 zijn geweest, of zelfs al snel na de introductie van het vaste personage Jerom (1953).[54]

Geerts kreeg tijdens zijn carrière als hoofdauteur van de Suske en Wiske-verhalen vaak de kritiek dat hij de fantasie, humor en originaliteit van Vandersteen ontbeerde. Dit verwijt werd later vooral aan Verhaegen en Meynen gericht, die volgens sommige fans enkele van de slechtste en meest afwijkende verhalen ooit hebben gemaakt.[55] Verhaegen weerde al dit soort kritiek af met het argument dat hij met zijn tijd moest meegaan om te voorkomen dat de reeks oubollig werd; zo zou de oorspronkelijke look van Wiske de eigentijdse jeugd niet meer aanspreken.[56] Enkele verhalen van Verhaegen werden zeer laag gewaardeerd, zoals De ongelooflijke Thomas en De blote Belg. In een interview uit 2016 toonde Paul Geerts zich ook niet lovend over de manier waarop Verhaegen omstreeks 2000 de reeks geheel had overgenomen en voortgezet. Geerts gaf ook aan dat hij alle affiniteit met de serie inmiddels had verloren.[31]

Verminderde populariteit in België na 2010

[bewerken | brontekst bewerken]

De Vlaamse stripkenner Toon Horsten constateerde in 2011 dat de populariteit van Suske en Wiske in België de afgelopen 16 jaar met driekwart was afgenomen. De pogingen van enkele jaren daarvoor om de strip en de personages sterk te moderniseren en zo een jonger lezerspubliek aan te trekken, leken hier dus weinig effect gehad te hebben. In Nederland leek de populariteit van de strip daarentegen niet of nauwelijks afgenomen.[57]

Voor de terugloop in populariteit in België zijn meerdere mogelijke verklaringen te geven, die elkaar niet noodzakelijkerwijs helemaal uitsluiten. Er kwam ten eerste in Vlaanderen steeds meer concurrentie van stripreeksen als Jommeke. Voorts was in 2010 publiekelijk bekend geworden dat Willy Vandersteen tijdens de Tweede Wereldoorlog onder het pseudoniem Kaproen (dat al veel langer algemeen bekend was, maar nog nooit eerder met enige zekerheid aan Vandersteen was gekoppeld) diverse antisemitische en pro-Duitse prenten had gemaakt voor Volk en Staat en De Nationaal-Socialist, bladen die met de Duitse bezetters collaboreerden. Het feit dat dit niet publiekelijk aan het licht mocht komen zou tevens onderdeel zijn geweest van de echte reden dat Verhaegen in februari 2005 als hoofdauteur van de strip geheel plotseling was weggestuurd, al werd dit laatste vanuit Studio Vandersteen zelf ontkend.[58] Deze hele affaire lijkt niettemin uiteindelijk geen factor van groot belang te zijn geweest bij de terugloop in populariteit van de strip in België.[6]

In België bleef de populariteit van de strip ook na 2011 een neerwaartse trend tonen. De nieuwe make-over vanaf 2017 bracht hier evenmin duidelijk verandering in; veel vaste lezers klaagden juist dat ze de strip van vroeger en de vertrouwde vaste personages niet meer herkenden.[59]

Zie de lijst van verhalen van Suske en Wiske voor een overzicht van alle individuele verhalen

Voorpublicaties

[bewerken | brontekst bewerken]

Albumuitgaven

[bewerken | brontekst bewerken]

Alle albumreeksen in de hoofdserie

[bewerken | brontekst bewerken]

Later zijn de albums nog op diverse andere manieren uitgegeven, bijvoorbeeld met diverse toevoegingen of als vakantieboek:

Franstalig logo van de strip

De verhalen van Suske en Wiske zijn ook verschenen in een aantal andere talen (o.a. Afrikaans, Zweeds, Latijn, Esperanto en Fries) en streektalen (Gronings, Drents, Twents, Limburgs en Brabants).

De volgende namen worden in andere talen gebruikt:[60]

  • Afrikaans: Neelsie & Miemsie
  • Brabants: Suske & Wieske
  • Chinees (Taiwanese versie): Dada & Beibei
  • Chinees (versie vasteland): 波布和波贝特 (Bobu & Bobete: 1996) en 苏苏和维维 (Susu & Weiwei: 2011-)
  • Deens: Finn & Fiffi (later: Bob & Bobette)
  • Duits: Ulla und Peter (later: Bob und Babette/Suske und Wiske/Frida und Freddie)
  • Esperanto: Cisko kaj Vinjo
  • Engels (UK): Bob & Bobette (later: Spike & Suzy)
  • Engels (USA): Willy & Wanda (later: Luke & Lucy)
  • Fins: Anu ja Antti
  • Frans: Bob & Bobette
  • Grieks: Bobi & Lou
  • Indonesisch: Bobby dan Wanda (later: Suske dan Wiske)
  • Italiaans: Bob e Bobette
  • Japans: ススカとウィスカ (Susuka to Wisuka)
  • Latijn: Lucius et Lucia
  • Noors: Finn & Fiffi
  • Portugees: Bob e Bobette (later: Bibi & Baba)
  • Portugees (Brazilië): Zé & Maria
  • Spaans: Bob y Bobette (later: Bob y Bobet)
  • Swahili: Bob na Bobette
  • Tamil: Bayankaap & Bayanam
  • Tibetaans: Baga & Basang
  • IJslands: Siggi og Vigga
  • Zweeds: Finn & Fiffi

Spin-off- en hommagereeksen

[bewerken | brontekst bewerken]

Op basis van de Suske en Wiske-hoofdreeks zijn in de loop der jaren allerlei spin-off-series gestart, met deels dezelfde hoofdpersonages naast sommige geheel nieuwe karakters die in de hoofdreeks ontbreken. Sommige van deze spin-offs zijn wat bekender geworden dan andere. Er worden soms nog steeds nieuwe spin-offs als onderdeel van het Suske en Wiske-universum gestart. Ook lopen er inmiddels meerdere hommage-reeksen.

Verhalen in Kuifje vanaf 1948

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Blauwe reeks voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1948 werd Vandersteen door Hergé benaderd met het verzoek om Suske en Wiske ook te gaan publiceren in het stripweekblad Kuifje, dat op dit moment in het Nederlands niet erg goed liep. Vandersteen maakte in de daaropvolgende elf jaar in totaal acht verhalen voor dit stripblad. Daarvan werden er na de publicatie zeven aanvankelijk uitgegeven in een aparte albumreeks, de zogeheten blauwe reeks. Deze werd zo genoemd vanwege de kenmerkende helblauwe albumkaften (ter onderscheiding van de destijds parallel lopende rode reeks).

Hergé stelde een aantal strikte voorwaarden aan deze verhalen, die zich bijgevolg in een aantal opzichten duidelijk onderscheiden van de verhalen uit de reguliere reeks. In de eerste plaats doen van de vaste hoofdpersonages hier alleen Suske, Wiske en Lambik mee. Schanulleke komt hier nergens voor, behalve even kort aan het begin van het eerste verhaal uit deze reeks, Het Spaanse spook.[61] De rol van Lambik werd ten opzichte van de gewone hoofdreeks aanzienlijk belangrijker gemaakt en in bepaalde opzichten ook wat serieuzer, al bleef hij tegelijk ook hier voor veel lachwekkende situaties zorgen. Daarnaast zijn de hoofdpersonages hier anatomisch een stuk correcter getekend: vooral Lambik ziet er een stuk heldhaftiger uit, en ook Suske en Wiske ogen duidelijk volwassener en ze gedragen zich veel minder dan in de reguliere hoofdreeks als echte kinderen. Deze verplichte "bijgeschaafde" tekenstijl zou in zekere mate ook nog van invloed zijn op Vandersteens latere werk.[62]

Vandersteen stopte definitief met het maken van deze verhalen in 1959, mede vanwege onenigheid met Hergé. Na het van start gaan van de Vierkleurenreeks in 1967 zijn ook deze acht speciale verhalen alsnog opnieuw daarin uitgegeven, maar wel meestal in ingekorte vorm omdat ze moesten voldoen aan het standaardformaat van 58 pagina's. Het gouden paard, het laatste verhaal dat Vandersteen voor Kuifje voltooide, verscheen daarbij in 1969 pas voor het eerst in albumvorm.

Vanaf 2020 hebben Dirk Stallaert, François Corteggiani en Ronald Grossey, op vraag van Standaard Uitgeverij, enkele nieuwe verhalen gemaakt die zoveel mogelijk in de stijl van de blauwe reeks moesten zijn. Stallaert maakte een alternatieve voltooide versie van De sonometer, een verhaal waar Vandersteen in 1959 nog voor Kuifje aan was begonnen maar waarvan slechts enkele schetsen zijn bewaard. Deze verhalen maken geen deel uit van de reguliere Vierkleurenreeks.[63][64]

Jerom, De Gouden Stuntman / De wonderbare reizen van Jerom

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1960 ging de stripreeks Jerom, De Gouden Stuntman van start, die later nog enige tijd is voortgezet als De wonderbare reizen van Jerom. Hier heeft Jerom zelf de hoofdrol. Van de overige vaste hoofdpersonages uit de Suske en Wiske-hoofdreeks doen hier enkel Sidonia en professor Barabas mee. Anderzijds zijn er enkele nieuwe vaste personages geïntroduceerd, zoals Jeroms vaste hulpje Odilon vanaf 1968. De strip werd gestart door Vandersteen, die zich er zelf echter maar korte tijd mee bezighield. Daarna is de serie voortgezet door Studio Vandersteen, waarbij Paul Geerts veel van het tekenwerk deed. De albums zijn uitgegeven met een kenmerkende groene kaft (vermoedelijk is dit gedaan om ze duidelijk van de Suske en Wiske-reeksen te onderscheiden).

In Nederland en Vlaanderen heeft deze spin-off nooit de populariteit geëvenaard van Suske en Wiske. In Duitsland liep in dezelfde tijd voor het tijdschrift Wastl een reeks sterk identieke verhalen, eveneens met Jerom in de hoofdrol. Geerts was ook daarvan een van de hoofdauteurs, aan het begin van zijn carrière bij Studio Vandersteen nog voordat hij de regie over Suske en Wiske zou krijgen. Onder Duitse lezers werd deze reeks wel erg populair.[19]

De strip en voortzetting ervan liepen alles bij elkaar tot en met 1991.

Junior Suske en Wiske

[bewerken | brontekst bewerken]

In 2002 ging Klein Suske en Wiske van start, later voortgezet als Junior Suske en Wiske. Ook hier werden de vaste personages weer aangepast. Suske en Wiske worden voorgesteld als kinderen in de kleuterleeftijd.[53]

Amoras/De kronieken van Amoras

[bewerken | brontekst bewerken]

In Amoras (2013-2017) en de voortzetting hiervan, De Kronieken van Amoras (2017-nu), is de tekenstijl vergeleken met de overige stripreeksen aanzienlijk realistischer geworden. Suske en Wiske lijken hier eerder 16 à 18 jaar oud, en niet zoals in de meeste verhalen in de hoofdreeks 12 of 13. Deze spin-off is duidelijk veel meer op volwassen lezers gericht. De verhaalsfeer is over het algemeen donkerder, inclusief veel meer realistisch geweld (hoewel de hoofdreeks ook veel "geweld" kent, is daarbij vrijwel nooit sprake van zichtbaar bloed of dodelijke slachtoffers). Daarnaast is het strikte taboe op seks uit de hoofdreeks hier enigszins opgeheven. Anderzijds is men de klassieke patronen en verhoudingen tussen de vaste personages ook hier blijven respecteren, en bepaalde voor de hoofdserie kenmerkende fantasy-verhaalelementen (zoals het tijdreizen) staan ook hier centraal. De auteurs van deze twee reeksen, Cambré en Legendre, hebben voor het maken van deze afwijkende verhalen de nodige toestemmingen bekomen van Studio Vandersteen en de weduwe van Willy Vandersteen, in lijn met diens bepalingen voor de hoofdreeks zelf.

Roderick Leeuwenhart en Marissa Delbressine signeren een prent van de Suske en Wiske-manga op de Suske en Wiske-fandag in Oudenbosch (2025).

In 2026 brachten Marissa Delbressine (tekeningen) en Roderick Leeuwenhart (scenario) een manga-bewerking van Suske en Wiske uit, getiteld Geen isekai, geen probleem!, gefinancierd via crowdfunding gestart in 2024.[65][66]

Overige spin-offreeksen

[bewerken | brontekst bewerken]

Favoriete verhalen

[bewerken | brontekst bewerken]

Bij stemmingen zijn enkele verschillende verhalen uit de bus gekomen als het beste ooit in de serie.

Op de fansite "Suske en Wiske op het WWW" kon tot en met 2021 worden gestemd op de favoriete verhalen.[67] De schat van Beersel (uit 1952-1953) voerde in de meeste edities de lijst aan. Ook de andere zeven verhalen uit de blauwe reeks (1952-1957) staan in de top 35, waarvan drie de top 3 bekleden. Op plaats twee staat De gouden cirkel. Opvallend is dat alle 32 verhalen die in de periode juni 1978 - april 1984 verschenen, relatief laag scoren. De albums van Willy Vandersteen worden het hoogst gewaardeerd, die van zijn opvolgers beduidend lager. Het overzicht in de lijst gaat tot het jaar 2003.[68]

In een uitzending in april 2025 van De perfecte podcast riepen de fans daarentegen Angst op de "Amsterdam", een verhaal van Geerts uit 1985, uit tot het 'Beste Suske en Wiske album aller tijden'.[24]

Vanaf 1955 waren er voor het eerst avonturen van Suske en Wiske op de Nederlandse televisie te zien. Pats' Poppenspel, waar Vandersteen in deze tijd mee samenwerkte, bracht ze op de buis.[j]

In 1973 werd besloten om een nieuwe televisiepoppenserie te maken, gebaseerd op speciaal voor die serie te schrijven verhalen. Iets later zijn deze in totaal zes verhalen – De minilotten van Kokonera, De gouden locomotief, De zingende kaars, De windbrekers, De regenboogprinses en Het laatste dwaallicht – in licht aangepaste vorm ook als reguliere albums uitgebracht in de hoofdreeks. Elk verhaal behalve De minilotten van Kokonera bestond uit vijf afleveringen van 22 minuten. De poppen waren vervaardigd door het atelier Creatuur in samenwerking met André Henderickx, een Schiedamse glazenier/kunstenaar. Er werd voor elk figuur een aantal koppen met verschillende gezichtsuitdrukkingen gemaakt. De decors en rekwisieten kwamen op basis van gedetailleerde ontwerpen van Studio Vandersteen tot stand. Een opvallend verschil met de strip was dat Jerom in de poppenserie zijn ogen open had. De stemmen waren van Paula Majoor (Suske), Hellen Huisman (Wiske), Henk Molenberg (Lambik), Trudi de Kat (Sidonia), Wim Wama (Jerom en Krimson) en Cees van Oyen (professor Barabas). Wim Povel die de scenario's schreef, had op de later verschenen lp de rol van verteller, hoewel in de televisieserie de verhalen door Lambik aan elkaar gepraat werden. De serie werd geregisseerd door Patrick Lebon en de muziek was geschreven door Piet Souer. In Nederland zond de TROS de serie uit van oktober 1975 tot en met december 1976. In België werd de serie door de BRT uitgezonden in de periode oktober 1976 tot en met februari 1977. In 1984 en in de zomermaanden van 1990 werden de afleveringen herhaald.

Vaste lezers van de strip waren veelal niet erg te spreken over de tot strip bewerkte versies van deze zes verhalen, die ze niet goed in de hoofdreeks vonden passen. De (weliswaar licht aangepaste) plots waren oorspronkelijk voor zeer jonge tv-kijkers geschreven, en kwamen daardoor infantiel over.

De eerste tekenfilms gebaseerd op de strip werden gemaakt door Belvision, destijds een onderdeel van uitgeverij Le Lombard. Ze werden tussen 1955 en 1958 uitgezonden op de Belgische nationale televisie. Het waren rudimentaire, nogal amateuristische tekenfilms in zwart-wit.[69]

Er zijn ook meerdere tekenfilms gebaseerd op de verhalen gemaakt door Atelier5. Deze waren eind jaren 80 en begin jaren 90 op VTM te zien. Ook zijn deze tekenfilms uitgebracht op VHS en dvd.[70] In 2017 verscheen een 3D-CGI-animatieserie van Suske en Wiske junior door Grid Animation i.s.m. Doghouse Films en de VRT.[71]

In 2004 is de eerste en tot nu toe enige speelfilm met een Suske en Wiske-verhaal als basis gemaakt: De duistere diamant, naar het gelijknamige stripverhaal uit 1958. De film werd geregisseerd door Rudi Van Den Bossche.

In de zomer van 2009 kwam in de bioscopen de 3D-animatiefilm De Texas rakkers uit, naar het gelijknamige stripverhaal uit 1959.

Tien jaar lang, van 1993 tot 2003, hadden Suske en Wiske ook een eigen weekblad, Suske en Wiske, waarin naast strips van Standaard Uitgeverij ook nieuwe generaties striptekenaars konden publiceren. Hoewel het blad vrij succesvol was, bleek eind 2003 dat het doorzetten niet meer kostendekkend was, en daarom besloot de uitgeverij de publicatie te staken.[72]

Toneelstuk en musical

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1994 liep in Antwerpen een toneelstuk rond Suske en Wiske. De opvoering was zo succesvol dat het ook in Nederland een tijd toerde. In zekere zin was dit een voorloper van de latere musical, al was het verhaal in dit geval niet gebaseerd op een bestaand album.[73]

In juli 2002 ging een nieuwe musical in première, gebaseerd op de verhaalplot van De spokenjagers. Deze werd zowel in België als in Nederland opgevoerd. De laatste voorstelling was in februari 2003.

In 2008 werd er een musical opgevoerd rond het klassieke verhaal De circusbaron.[74] Deze musical toerde rond in België en Nederland.[75] In 2015 bracht Van Hoorne Entertainment de musical terug naar de theaters, ter ere van de 70ste verjaardag van de Suske en Wiske-hoofdreeks. De musical was in 2016 in verschillende theaters te zien.

Culturele invloeden

[bewerken | brontekst bewerken]

Merchandising

[bewerken | brontekst bewerken]

Al in 1947 verscheen er een Schanulleke-pop op de markt, die werd verkocht door de firma Morena.[76] Twee jaar later bracht de Antwerpse uitgeverij Imago vier Suske en Wiske-postkaarten uit. In 1952 vervaardigde de firma Keram uit Heverlee vier porseleinen beeldjes van Suske, Wiske, Lambik en Sidonia. Vanaf 1952 verschenen er ook kleurboeken van Suske en Wiske. Verder werden foldertjes, vloeipapier en bladwijzers van Suske en Wiske als gratis geschenk meegegeven aan de klant. In sommige verhalen wordt reclame gemaakt voor Suske en Wiske-producten die op de markt waren, door het op ene bepaalde manier verwerken van deze producten in de verhaallijn (zo bevat De zingende zwammen bijvoorbeeld aan het eind expliciete reclame voor de in die tijd op de markt gekomen "Op-Jerommekes"[77]).

In 1954 verschenen er voor een firma in Lint zes jampotjes waarop de vijf hoofdpersonages en Sus Antigoon waren uitgebeeld.[78] Eind jaren 50 werden er bij een actie van Grand Bazar 50.000 "Jerom-klikkertjes" uitgedeeld.[79] Vanaf de jaren zestig brachten de grote firma's steeds meer Suske en Wiske-gadgets op de markt. Zo kwam chocoladefabriek Van Houten in 1968 met sleutelhangers, firma Novesia in 1976 met puzzels en snoepfabrikant Rowntree eind jaren '70 met poppenkastpoppetjes. Studio Vandersteen bracht daarnaast buiten de reguliere hoofdreeks om enkele speciale Suske en Wiske-verhalen uit die dienden om een product te promoten, zoals De gouden bloem (1974).[80]

Computerspellen

[bewerken | brontekst bewerken]

Er verschenen meerdere computerspellen meestal bedoeld voor Windows of macOS. In een later fase verschenen er ook versies voor draagbare consoles.[81] Naar aanleiding van de animatiefilm De Texasrakkers werd besloten om er ook een computerspel op te baseren.[82]

  • 1998 - De roekeloze ruimtereis, met vijf onderdelen: platformspel, zoek de zeven verschillen, moonlander, ruimtewebsite en Willy Vandersteen
  • 1998 - Stripmaker
  • 1999 - Het geheim van de farao, met vijf onderdelen: Platformspel, Printstudio, De kuil van de krokodil, Egyptewebsite, Egyptische tempel-website plus Willy Vandersteen
  • 1999 - Familiequiz 1
  • 2001 - De tijdtemmers, Game Boy Color
  • 2001 - Stripmaker budget, met extra invoeroptie voor eigen beelden
  • 2002 - De digitale dromenmachine
  • 2003 - Strips Spelletjessensatie, met De schitterende schattenjacht en 4 andere spellen van Belgische striphelden
  • 2004 - Suske en Wiske Quiz
  • 2008 - De Kaperkoters, Windows
  • 2009 - De Texas Rakkers, Nintendo DS

De perfecte podcast

[bewerken | brontekst bewerken]

Als eerbetoon aan de strip en haar makers werd er in 2019 een speciale podcastreeks op touw gezet door Koen Maas: De perfecte podcast. Daarin werden makers, kenners en liefhebbers van de strip aan het woord gelaten en werd er achtergrondinformatie over de stripreeks aangeboden aan luisteraars van de podcast. Tot de gasten behoorden Paul Geerts, Eric de Rop en Charel Cambré. Zij vertelden in de podcast bijvoorbeeld over hun periode bij Studio Vandersteen of hun persoonlijke band met Vandersteen. Ook tv-presentator Peekel was te horen als uitdrager van het beeldverhaal in Nederland in de jaren tachtig en negentig, in Wordt Vervolgd.

In het najaar van 2020 werd een uitzending[83] "gekaapt" door Krimson. Cambré en Legendre bedachten een scenario voor tien korte hoorspelen, die wekelijks werden gepubliceerd door podcastmaker Koen Maas. Acteur Ivan Pecnik sprak hiervoor Krimsons stem in.

Architecturale verwijzingen

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Op zaterdag 13 mei 2006 werd in de Korte Ridderstraat 8 te Antwerpen een stripmuur onthuld met een afbeelding van de cover van Het eiland Amoras.[84]
  • In Kalmthout werd in 2009 ook een stripmuur onthuld.[85]
  • Ook in Brussel staat een stripmuur, in de Lakensestraat aan de hoek met de Vaartstraat. Het is een afbeelding van Suske en Wiske, Schanulleke, Jerom, Lambik en tante Sidonia boven op het Kregelige Ketje (Manneken Pis).[86]
  • In de IJzerlaan 25 in kustgemeente Middelkerke werd in 2018 ook een stripmuur onthuld. Suske en Wiske, Schanulleke, Jerom, Lambik en tante Sidonia zijn er te zien in een strandtafereel.[87]
  • In de Antwerpse wijk Seefhoek, waar Vandersteen zelf werd geboren, is een plafondschildering aangebracht. Hierin is ook Vandersteen uitgebeeld, te midden van de hoofdpersonen uit de strip. De buurt in kwestie heeft een speciale betekenis voor de strip omdat er veelvuldig naar wordt verwezen in de oorspronkelijke tekst van Het eiland Amoras.
Suske en Wiskemuseum in Kalmthout: werkkamer van Vandersteen

In 1997 werd in Kalmthout het Provinciaal Suske en Wiske-Kindermuseum geopend, een stripmuseum dat speciaal is gewijd aan de serie.

Toen het toenmalige Six Flags Belgium in 2005 transformeerde naar Walibi Belgium, besloot het park om extra aandacht te vestigen op Belgische stripfiguren. Naast Lucky Luke, die al sinds 1998 in het park te zien was, kregen ook Bollie en Billie en Suske en Wiske een plaats in het park. De zone rond Suske en Wiske bevond zich in het voormalige Italiaanse gedeelte van het park. Naast een standbeeld van de hoofdpersonages in torenvorm stond ook een beeld van Sidonia in de Gyronef. Suske en Wiske kregen ook een eigen attractie toegewezen, de botsautootjes kregen de naam Tuf Tuf Club mee.

In 2017 werd in Antwerpen het indoorpretpark Comics Station geopend. Het werd gethematiseerd naar 6 verschillende Belgische stripreeksen waaronder Suske en Wiske. Het heeft daar ook een eigen themazone.

Verwijzingen in andere stripreeksen

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Op de aankondiging van Album 26 uit de stripserie De Kiekeboes (gemaakt door Merho) heeft de hoofdpersoon Kiekeboe zelf de titel De vinnige viking bedacht. Zijn zoontje merkt op dat dit al de titel is van een bestaand Suske en Wiske-verhaal. Ook in de Kiekeboe-verhalen De anonieme smulpapen, Villa Delfia en De zes sterren wordt middels diverse grappen verwezen naar de Suske en Wiske-strip.
  • Ook in Urbanus-album 56 Kermis in de hel is er een verwijzing naar Suske en Wiske terug te vinden in de hoofdrolopsomming van de strip. In Dertig floppen vermomt Urbanus zich als Suske. In het latere album Pedo-Alarm komen Suske en Wiske model staan voor Urbanus zijn collectie van wassen beelden, en geeft ze ook een verklaring voor het verschil in haarstijlen doorheen de jaren.
  • In het Nero-album Beo is Back (1989) wordt ook een verwijzing gemaakt naar Suske en Wiske.
  • In de Nederlandse geschiedkundige stripreeks Van Nul tot Nu (die vanaf 1982 werd gemaakt door Thom Roep en Co Loerakker) duiken bij wijze van visuele grap een paar maal een of enkele hoofdpersonages uit Suske en Wiske op, met name als er historische gebeurtenissen in Vlaanderen of België centraal staan (zoals de Belgische Revolutie).
  • In het stripalbum Paniek in Stripland (in 2008 gemaakt door Tom Bouden) hebben Suske, Wiske, Jerom, Lambik en Sidonia een gastoptreden samen met allerlei andere bekende stripfiguren.
  • In 1983 verscheen er een pornografische parodie op de serie: De glunderende gluurder. Deze was de eerste in een reeks spin-off-strips waarin de hoofdpersonages zeer vrijelijk met elkaar omgaan.
  • De personages uit Suske en Wiske speelden mee in het stripalbum Het geheim van de kousenband (2001). Paul Geerts voorzag voor deze strip de tekeningen van Suske en Wiske en hun vrienden. Ze hadden ook een gastoptreden in een verhaal uit de reeks De Kiekeboes, Bij Fanny op schoot (2005), samen met Jerom, Sidonia en Lambik.

Concurrerende strips

[bewerken | brontekst bewerken]

Het succes van Suske en Wiske inspireerde andere striptekenaars in Vlaanderen. Marc Sleen, die van huis uit cartoonist was, werd door zijn krant aangespoord om een eigen stripreeks te beginnen die de concurrentie met Suske en Wiske aan zou moeten gaan. Dat resulteerde uiteindelijk in Nero, een strip die echter niet zoveel bekendheid en populariteit als Suske en Wiske heeft gekregen. De politieke lading was vanaf de jaren 70 vrijwel helemaal verdwenen uit Suske en Wiske, maar is bij Nero wel altijd aanwezig gebleven.[88]

Pom begon al in 1950 met Piet Pienter en Bert Bibber en Jef Nys in 1955 met Jommeke.

[bewerken | brontekst bewerken]

Bronnen en noten

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie de categorie Suske en Wiske van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.